Haagse Russen met heimwee

Na de Russische Revolutie belanden tsaristische emigranten in Den Haag. Ze bouwen een klein, archaïsch Rusland, doen hun werk als diplomaten, maar ontsnappen ook daar niet aan de revolutie.

Klein Rusland ligt in Den Haag en is zo groot als het bonte gezelschap Russische emigranten dat er na het uitbreken van de Revolutie van 1917 strandde. Dat die emigranten vooral diplomaten, soldaten en matrozen waren, beschrijft Angela Dekker in haar nieuwe boek Diplomaat van de tsaar. De ballingen van de Russische Revolutie.

Dekker weet een exotische wereld op te roepen van een archaïsch gezelschap feestvierende Russische edelen dat per ongeluk in het suffe Den Haag is beland. Te midden van de stugge Hollanders die ze er tegenkomen vervelen ze zich zo, dat ze eindeloos bij elkaar klitten. En juist dat laatste levert een fascinerend Russisch drama op, met alle bijbehorende intriges en geruzie.

Centrale figuur in het boek is de adellijke diplomaat Paul Poustochkine, een vertegenwoordiger van het tsarendom bij uitstek. Sinds 1913 is hij in Den Haag gestationeerd, waar dan uitbundig wordt gevierd dat honderd jaar eerder Russische kozakken Holland van de Franse bezetter hebben bevrijd. De handelsbelangen tussen Nederland en Rusland zijn ook dan al groot.

Als tweede ambassadesecretaris leeft Poustochkine in een wereld van copieuze diners, bridgeavondjes, recepties. Tijdens een soiree bij de koningin raakt hij bevriend met prins Hendrik, die Russisch bloed heeft en met wie hij regelmatig in Amsterdam gaat pierewaaien.

Als de bolsjewieken aan de macht komen, krijgt Poustochkines baas, de ambassadeur, een zenuwinzinking en belandt in een gesticht. Eerste secretaris De Bach vertrekt naar Washington om de Amerikanen te bewegen in Rusland in te grijpen. Poustochkine, die met lede ogen aanziet hoe de nieuwe machthebbers zijn familie en vrienden vervolgen, wordt ineens de belangrijkste man op de legatie.

Als diplomaat houdt hij het uit zolang de tsaristische schatkist, die in de Russische ambassade in Parijs staat, hem salaris uitkeert voor ‘de afhandeling van de imperiale zaken’. Als Nederland in juni 1942 onder druk van de geallieerden eindelijk de Sovjet-Unie erkent, moet hij op een andere manier in zijn levensonderhoud voorzien. Hij is dan al 24 jaar diplomaat van een land dat niet meer bestaat.

De eerste jaren na de revolutie gaat het leven op het gezantschap gewoon door. Er zijn ontvangsten en voorleesmiddagen; de Russische diplomaten zitten geregeld aan bij diners aan het hof. Het wachten is op de val van de bolsjewieken. Als die er begin jaren twintig niet meer inzit, treedt een verstilling op in de gangen van het gezantschap, dat uit bezuiniging inmiddels is verplaatst naar Poustochkines ambtswoning.

Nazaten

Aan de hand van tal van brieven, dagboeken, uitnodigingen voor recepties, het geboorteregister van de Russisch-orthodoxe kerk en gesprekken met nazaten schetst Dekker een milieu waarin de meest uiteenlopende types voorkomen. Zoals de onbekwame consul Iwan de Peterson, die door Poustochkine ontslagen wordt en een chique theesalon annex lunchroom begint met uitzicht op de Hofvijver. Petersons vrouw is een Nabokov, een tante van de schrijver, die ineens ook dichterbij komt. En dan zijn er ook nog de ontsnapte krijgsgevangene Georg Dudewski, de excentrieke schilder Leonid Sologoub en de omstreden galeriehouder Paul Loujetzky, die deze Russische versie van The Sound of Music compleet maken.

Dekker schetst daarnaast ook nog een fascinerend beeld van de onttakeling, na 1917, van de Nederlandse ambassade in Petrograd. Daar geeft tijdelijk zaakgelastigde Jacob Oudendijk een scherpe analyse van wat er om hem heen gebeurt. Zo bericht hij over een ontmoeting met Tsjitsjerin, de nieuwe, onbehouwen volkscommissaris van Buitenlandse Zaken: ‘slordig gekleed, ongemanierd en onbetrouwbaar en te pas en te onpas zwaaiend met een pistool.’

Alleen al dat pistool is veelzeggend over de intenties van de nieuwe machthebbers. Zulke details, waar het bij Dekker van wemelt, maken haar boek een interessante aanvulling op wat je over die tijd al weet.

Friedrich Weinreb

De jaren van de Duitse bezetting zijn in dat opzicht het opmerkelijkst, omdat ineens Friedrich Weinreb opduikt, de omstreden Joodse econoom die beweerde Joden van deportatie door de nazi's te kunnen vrijwaren. Ook Poustochkine raakt bij Weinrebs snode plannen betrokken, wanneer deze hem vraagt om in ruil voor veel geld tsaristische paspoorten voor Joden uit te schrijven – in de eerste oorlogsjaren werden Russische staatsburgers door de bezetter ongemoeid gelaten. Met dat geld kocht Weinreb kunst bij Loujetzky, die op zijn beurt zijn Joodse klanten bij Weinreb aanmeldde.

Dekker switcht voortdurend van het verleden naar het heden, en van personage naar personage. Dat maakt haar verhaal in het begin soms een beetje ingewikkeld om te volgen, zeker voor iemand die moeite heeft om al die Russen met hun ingewikkelde – en ook nog eens verfranste – achternamen uit elkaar te houden. Maar zodra je de verhoudingen eenmaal doorhebt, is er niets aan de hand en beland je in een wereld waarvan je het bestaan in het brave Nederland van die tijd niet kon bevroeden.

Veelzeggend in het boek is de foto van Poustochkine in generaalsuniform uit 1952, zes jaar voor zijn overlijden, gemaakt door de bankier Pierson die Russische les van hem krijgt. Dit uniform zat onder de mottengaten en werd voor de gelegenheid opgelapt.

De weemoedige, introverte blik van de ‘opgepoetste’ diplomaat straalt verlangen naar vroegere tijden uit. In die ene afbeelding zit de hele dramatiek van zowel zijn leven als van Dekkers boek vervat, omdat je weet dat al de ballingen hun geboorteland en hun achtergebleven familieleden misten en in de loop van de jaren twintig begonnen te beseffen dat ze die nooit meer terug zouden zien.