Gijsbrecht

‘Ga je mee naar de Gijsbrecht van Amstel?” vroeg mijn moeder toen we langs een aanplakbiljet van Het Toneel Speelt fietsten.

„Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”, declameerde ik dramatisch. „Nee dank je.” Ik dacht terug aan de oersaaie lessen Nederlands van vroeger. Van den vos Reynaerde, De klucht van de koe, Gijsbrecht van Amstel; ik had er stuk voor stuk geen ruk aan gevonden (welke scholier wel?), al moet ik zeggen dat ik de zojuist door mijzelf opgedreunde versregels ineens bijzonder mooi vond.

Mijn moeder staarde me ongelovig aan. „Dat is van Elsschot, randdebiel, bijna drie eeuwen later. Wat deed jij al die tijd op dat gymnasium?”

Ik ging toch maar mee.

Braaf zat ik op nieuwjaarsdag met mijn eerste kater van 2014 tussen mijn moeder en stiefvader in de Stadsschouwburg. „Het is een eeuwenoude Amsterdamse traditie om op deze dag naar de Gijsbrecht van Amstel te gaan”, zei mijn moeder. „Voor de gegoede burgerij dan, hè”, vulde mijn stiefvader aan. Ik zag mijn moeder glunderen.

Voor het doek open gaat, zie je een oude kaart van Amsterdam. Ik wil het stuk helemaal niet te kort doen, want ik heb genoten van de prachtige taal („Het hemelse gerecht heeft zich ten langen leste / Erbarremd over mij, en mijn benauwde vesten”) en van de ijzersterke manier waarop de acteurs dit (gelukkig niet al te plechtig) voordroegen, maar die kaart trof me toch het allermeest. ‘De Gijsbrecht’ verhaalt hoe de stad Amsterdam na een beleg van een jaar door een slimme list van de Kennemers en Waterlanders wordt ingenomen. Het speelt zich af in 1304. Amsterdam was toen niet meer dan een vissersdorp, maar Vondel schreef zijn treurspel in 1637 en hij permitteerde zich dan ook de dichterlijke vrijheid om hier en daar met de waarheid te sjoemelen. Zo komen er gebouwen in voor als de Schreierstoren en het Clarissenklooster, die pas in respectievelijk 1487 en 1513 in gebruik werden genomen. De kaart die we zien dateert dan ook waarschijnlijk uit ongeveer 1540, maar waar het om gaat is dit: je ziet de Amstel stromen waar tegenwoordig het Damrak en het Rokin zijn, waar nu de Spuistraat is zie je nog het water van de Nieuwezijds Achterburgwal. Het Singel is op die kaart de buitenste gracht. Daaromheen waren alleen nog maar landerijen.

Hoewel ik uiteraard begrijp dat Amsterdam er niet altijd zo heeft uitgezien als nu, dat er in de loop der eeuwen veel gegroeid, gegraven en ook weer gedempt is, was het toch voor het eerst dat de rijke historie van de stad zo helder tot me doordrong. Zonder Vondel had ik bovendien niets geweten van dit beleg. Blijkbaar is wel blijven hangen wanneer Constantinopel veroverd is door de Ottomanen, wanneer Napoleon Moskou niet innam en wanneer Hitler Parijs binnenreed, maar is het platbranden van mijn eigen stad door de Kennemers en Waterlanders me totaal ontgaan. Op school leerde ik (en achteraf ben ik daar toch blij om) wie Joost van den Vondel was, wat alexandrijnen zijn en wat ‘deus ex machina’ betekent, maar nu besef ik ook nog dat ik dit stuk bekeek op een plek die vroeger niet eens tot de stad behoorde. Dat, en het feit dat ik onze eigen Vondel vanaf nu nooit meer zal verwarren met de cynische, Vlaamse Elsschot, maakt me meer Amsterdammer. Voortaan citeer ik daarom, zoals het hoort: „Waar werd oprechter trouw / Dan tussen man en vrouw / Ter wereld ooit gevonden?”

De Gijsbrecht van Amstel is vanavond en morgen nog te zien in de Stadsschouwburg, Leidseplein, aanvang 20.30 uur. www.ssba.nl