Een aarzelend zoeken naar betekenissen

Ger Groot voerde gesprekken met zijn leermeester, filosoof Samuel IJsseling en schreef er een boek over. IJsseling ziet de filosofie als ‘veelheid van verschillen die niet tot een eenheid kan worden teruggebracht’.

Foto Filip van Roe

Samuel IJsseling is geen filosoof van grote zekerheden. Onzekerheid behoort tot zijn manier van filosoferen: hij zal nooit uitsluiten dat het omgekeerde van de eigen overtuiging het overdenken waard is. Dat maakt hem de ideale partner voor een filosofisch gesprek, waarin het niet gaat om het behalen van zijn gelijk, maar om het ‘produceren van nieuwe betekenissen’, zoals IJsseling filosoferen definieert.

Het valt te lezen in Dankbaar en aandachtig, een boek dat Ger Groot schreef over een reeks gesprekken die hij afgelopen zomer voerde met IJsseling, kort voor diens tachtigste verjaardag. Groot, die ooit promoveerde bij IJsseling, benadert zijn vroegere leermeester met respect voor zijn ideeën en zijn eruditie, maar schroomt niet om kritische vragen te stellen en kanttekeningen te plaatsen. De dialoog die de twee voeren is daarom zeer onderhoudend, hoewel enige filosofische voorkennis wel verondersteld wordt bij de lezer. In zijn werkkamer in Leuven, waar een boekenkast staat die ‘alles lijkt te bevatten wat in de continentale filosofie van belang is geweest’, vertelt IJsseling hoe hij begin jaren vijftig intrad bij de Paters Augustijnen, filosofie en theologie studeerde en werd gewijd als priester. Later maakte hij zich los van zijn katholieke achtergrond en raakte hij gefascineerd door de Griekse godenwereld.

Op filosofisch gebied begon hij bij een christelijk geïnspireerd existentialisme, raakte daarna geïnteresseerd in Heidegger, over wie hij in 1964 zijn proefschrift schreef, en ontdekte eind jaren zestig in Parijs de Franse poststructuralistische filosofie. Derrida werd, na Heidegger, zijn tweede leermeester. Vanaf 1969 zou IJsseling als hoogleraar aan de Leuvense universiteit de grote Franse denkers in het Nederlands taalgebied introduceren. IJsseling vertelt een paar aardige anekdotes over de grote filosofen die hij heeft ontmoet, zoals over Heidegger die graag naar voetbalwedstrijden op de televisie keek en over de ‘ascetische’ Ricoeur die ’s avonds laat weigerde een taxi te nemen.

Bescheiden

Van Heidegger en Derrida leerde IJsseling dat niet het subject centraal staat, zoals bij veel moderne denkers, maar onderdeel is van een groter geheel dat hem bepaalt en waarnaar hij moet luisteren. IJsseling: ‘Ik wil het subject niet ontkennen. Maar ik wil daarbij wel benadrukken dat alles wat ik ben en heb, mij overkomt of mij geschonken wordt. En dat de enige authentieke houding die ik daartegenover kan aannemen er een is van aandacht-schenken, van dankbaarheid.’

Het is niet vreemd dat iemand me zulke bescheiden filosofische pretenties niet houdt van ‘totaliserende’ filosofen die de hele wereld in één denksysteem willen samenvatten. IJsseling ziet de filosofie als een netwerk van theorieën en teksten, een ‘veelheid van verschillen die niet tot een eenheid kan worden teruggebracht’. Zo heeft hij ook moeite met het idee van de ene God die almachtig is, vandaar zijn liefde voor de pluraliteit van het Griekse polytheïsme. Hij schreef er zijn bekendste boek over: Apollo, Dionysos, Aphrodite en de anderen (1994).

Een hoogtepunt in Dankbaar en aandachtig is het hoofdstuk over retoriek en filosofie, waarin Groot het aarzelende en zoekende denken van IJsseling op een prachtige manier weergeeft. Sinds Plato hebben filosofen de retorica afgewezen omdat ze zich niet met waarheid, maar met schijn bezig zou houden. IJsseling betoogt dat filosofen die meenden dat ze boven de retorica stonden altijd onbewust retorische trucs toepasten: ‘De pretentie de waarheid te spreken is ook een retorische verleidingsstrategie’. Filosoferen is volgens hem niet alleen een zuiver mentaal fenomeen, maar neemt ook de vorm aan van een gesproken of geschreven tekst. Filosofie heeft dus een materieel, tekstueel karakter en ‘moet zich realiseren dat die buitenkant tot haar wezen, haar binnenkant behoort’.

Kunstwerk

Nu de naïeve opvatting van een ‘zuivere filosofie’ niet meer mogelijk is, moeten we het idee loslaten dat zij de waarheid uitspreekt, zegt IJsseling. Wat spreek ze dan wel uit, vraagt Ger Groot. ‘Ze produceert nieuwe betekenissen.’ Zo komen we langzaam tot de kern van IJsselings denken. Het denken biedt wat hem betreft geen beeld van de werkelijkheid, maar ‘brengt iets aan het licht’, zegt hij, verwijzend naar Heidegger. ‘Daarom vergelijk ik het graag met een kunstwerk. Een kunstwerk gaat niet over de waarheid, maar laat daar wel iets van zien. Het laat iets in de openbaarheid treden dat er voordien niet was.’

Het interesseert IJsseling dan ook niet of een filosoof gelijk heeft. ‘Wat ik eindeloos veel boeiender vind als ik een filosoof lees, is te zien hoe het verhaal dat hij vertelt in elkaar zit.’ Hij vindt dat filosofie niet louter begripsmatig moet zijn, maar aansluiting moet zoeken bij de ervaring. ‘Ze moet een verhaal kunnen vertellen aan reëel bestaande mensen.’

Aan de Nederlandse universiteiten is voor deze opvatting van filosofie eigenlijk geen plaats meer, constateren de twee heren aan het eind een beetje somber. De academische filosofie wordt steeds technischer en er wordt bijna alleen nog maar in het Engels geschreven. Nederlandse filosofische teksten worden niet serieus genomen, zeker niet als ze goed leesbaar zijn. Zo verliest de filosofie haar rol in het publieke debat, zegt IJsseling. ‘Maar misschien is dat allemaal maar oudemannenpraat’, besluit hij het gesprek. ‘De filosofie zal er niet aan ten onder gaan – ook niet het soort denken dat mij dierbaar is.’