Armen, ogen, vulsel en heel veel manuren

Waar poppendokters vroeger door heel het land hun geld verdienden met het repareren van poppen en beren, kunnen zij in de huidige ‘weggooimaatschappij’ het hoofd amper nog boven water houden. Op bezoek bij de laatste poppendokter van Amsterdam.

De heer Ed Kramer (83) opereert al meer dan 45 jaar poppen en beren: „Als ik hun beer of pop kon maken waren kinderen zó oprecht blij – dat vond ik een van de leukste dingen aan het vak.” Foto’s Rien Zilvold

Plastische chirurgie, maar dan voor poppen en knuffelberen. Zo omschrijft Ed Kramer (83) zijn werk als poppendokter. Al meer dan 45 jaar voert Kramer operaties uit op antieke poppen, knuffelberen en soms zelfs winkelpaspoppen. Versleten vachten, afgebroken armen of ogen die niet meer open gaan: Kramer lost het op.

Uit heel het land, en soms zelfs daarbuiten, komen mensen naar zijn winkel in de Reestraat. Kramer en zijn zonen en dochter – die langzaam maar zeker de zaak overnemen – zijn dan ook een van de laatste poppendokters die er nog bestaan in Nederland, en zeker in Amsterdam.

Handig

Dat Kramer poppendokter werd, is puur toeval. Hij nam een pand over in de Reestraat, een van de bekende Negen Straatjes, met als doel er een winkel in kaarsen en oliën te starten.

Maar de vorige eigenaar was poppendokter en had een grote groep vaste klanten. „Bijna elke week kwamen er wel mensen die vroegen naar de poppendokter”, vertelt Kramer. Hij besloot om de gewonde poppen en beren zelf te repareren. Dat bleek nog niet gemakkelijk: „Het vak van poppendokter leer je niet op school. Je moet er best heel handig voor zijn.” Kramer bedacht een plannetje: als er vakgenoten met pensioen gingen, belden ze vaak Kramer op met de vraag of hij hun materiaal wilde overnemen. „Dat wilde ik wel, maar onder één voorwaarde: ze moesten me iets van het vak leren.”

En zo leerde Kramer hoe je de elastieken van een antieke pop van binnenuit kunt repareren, of hoe je nieuwe ogen in een versleten oude teddybeer zet. Met barbiepoppen had hij altijd de grootste moeite: „Die kun je haast niet repareren; als er iets afbreekt is het voor altijd stuk.” En ook over de bekende Baby Born-poppen heeft hij nog een weetje: „Daar zat een fabricagefout in. Dus al die armen braken af.”

Weggooimaatschappij

Maar waar de poppendokter vroeger geregeld nieuwe patiënten had, loopt het nu al heel lang niet meer storm. „Van poppendokter zijn alleen kun je niet meer leven”, vertelt Kramer. Hij denkt dat de prijs van een operatie (tussen de twintig en tachtig euro) veel mensen tegenhoudt. „Het repareren van een pop is een heel secuur werkje, daar gaan veel manuren in zitten.”

Zonen Klaas (52) en Daan (42) denken dat ook de moderne tijd een rol speelt: „Vroeger hadden mensen als het meezat één pop waar ze de rest van hun jeugd mee deden. Soms mocht er zelfs alleen op zondag mee gespeeld worden. Tegenwoordig hebben kinderen zoveel speelgoed – als er iets stuk gaat wordt het weggegooid en wordt er iets nieuws voor in de plaats gekocht.”

De meeste klanten van Kramer zijn volwassenen die hun antieke pop laten repareren. „Die hebben ze dan geërfd van grootouders of ze hebben er zelf nog mee gespeeld toen ze jong waren.” Kramer herinnert zich nog een oude heer die minutenlang voor de winkeldeur stond te dralen. Toen Kramer hem na enig aandringen had overtuigd om binnen te komen, haalde de man zijn versleten oude knuffelbeer uit zijn binnenzak. „Hij schaamde zich dat hij als volwassen man zijn knuffelbeer kwam laten repareren”, glimlacht Kramer.

Zo nu en dan komen er toch ook nog wel eens kinderen binnen. „Als een kind niet kan slapen zonder de pop of beer, voeren we een spoedoperatie uit.” De pop of knuffelbeer wordt dan in een speciaal klaargezet wiegje gelegd en mag dezelfde dag weer mee naar huis.

Bergen

Kramer vertelt zijn verhaal in de werkplaats: een bureautje in de achterste hoek van de winkel. Onder, naast en op het bureau staan tientallen laatjes gevuld met alles wat nodig is om een pop weer als nieuw te maken. „Dit is de kast met ogen”, zegt Kramer, terwijl hij lukraak wat laatjes opentrekt. Berenogen, plakogen in alle mogelijke kleuren, slaapogen die omhoog en weer naar beneden kunnen vallen en wimpers. Na de ogenkast volgen de bakken met poppenhanden, de wand met poppenpruikjes en de lades met tangen en schroefjes.

Aan de overkant van de winkel doet een woonhuis dienst als extra opslagruimte. Het staat tot de nok toe gevuld met dozen vol armen, benen, ogen en pruiken. Het is lastig je een weg te banen door de bergen materiaal. „Ja, het is soms best even zoeken”, beaamt Kramer. Maar het grote voordeel van zo’n enorme voorraad is wel dat hij bijna nooit misgrijpt. In principe zou hij hiermee elke pop of beer in min of meer oorspronkelijke staat kunnen terugbrengen.

Wonderpillen tegen hoofdpijn

Weer terug in de werkplaats laat de poppendokter een pot met felgekleurde snoepjes zien: „Dat zijn de ‘wonderpillen’ die ik vroeger meegaf aan zieke poppen en beren.” In de gloriejaren trad Kramer geregeld op als poppendokter bij basisscholen en zelfs in warenhuis de Bijenkorf. „Kinderen mochten dan hun gewonde beer of pop meenemen.” Bij sommige poppen of beren moest er inderdaad een nieuw been of oor worden aangezet, maar veel van de ‘patiënten’ hadden minder zichtbare kwalen. „Dan hadden ze bijvoorbeeld hoofdpijn of last van hun oren.” Voor die kwaaltjes gaf Kramer een gekleurde wonderpil. Lachend vertelt hij dat de kinderen dat zo leuk vonden dat ze soms op de gang expres een arm uit hun pop trokken in de hoop op nog een extra pilletje.

Hoop

De poppendokter is inmiddels al ruim de tachtig gepasseerd. En hoewel het gepriegel met oogjes en elastieken soms wat lastig is op deze leeftijd, helpt Kramer nog altijd mee in de zaak. Niet eens zozeer uit noodzaak, maar vooral als hobby. Wanneer hij vertelt over vroeger, verschijnt weer even de poppendokter van weleer, vol enthousiasme en charisma. „Als ik hun beer of pop kon maken waren kinderen zó oprecht blij – dat vond ik een van de leukste dingen aan het vak.”

En hoewel de klandizie terugloopt en Kramer zichzelf omschrijft als „een van de laatsten der Mohikanen”, heeft de 83-jarige poppendokter toch hoop voor de toekomst. Na een blik op de kasten, dozen en lades vol met poppenmateriaal, overgenomen van al lang gepensioneerde poppendokters, zegt hij vol goede moed: „Misschien trekt het wel weer helemaal aan na dit artikel.”

Zijn zonen en dochter die tegenwoordig de zaak runnen, weten het zo net nog niet. De beren en poppen zijn in ieder geval verdreven naar een hoekje achterin. De rest van de winkel staat gevuld met kaarsen en etherische oliën. Want daar is tegenwoordig wél veel vraag naar.