Als je mij dan eindelijk zou kennen

Waarom is het zo angstaanjagend dat we overal gezien en gelezen en gevolgd en afgeluisterd (kunnen) worden? De mensen die zeggen ‘ach als je niets te verbergen hebt’ zijn onnozelaars, dat weten we nu wel. Ineens is bijna iedereen er van doordrongen dat er iets niet klopt.

Maar niet omdat iedereen zo bang is voor wat de NSA met hun gegevens doet denk ik, want de meesten zullen toch wel denken: in mij zijn ze niet geïnteresseerd. Ik heb niets te verbergen. En in zekere zin is dat ook zo.

Als je erover praat met mensen, en wie doet dat niet, het is het gesprek van de dag, is bijna iedereen bevreesd voor wat er zou kúnnen gebeuren.

Niet onterecht, zoals het verleden ons al vaak genoeg heeft laten zien. We hebben een wereld ingericht waarin je niet meer aan de aandacht kunt ontsnappen. Waar de Oostblok-geheime diensten vroeger enorme moeite moesten doen om stiekem in je huis afluisterapparatuur aan te brengen, dragen we nu zelf, vrijwillig, onze afluister- en volgapparatuur met ons mee. Maar natuurlijk niet met de bedoeling daarmee bespioneerd te worden.

Wat de mensen uit het Oostblok vreselijk vonden toen ze na de val van de Muur konden zien wat voor gegevens er allemaal over ze verzameld waren, was vooral het feit dát al die gegevens verzameld waren. Gesprekjes met vrienden. Opmerkingen over een boek. Gedragingen in de huiselijke kring.

„Als je mij dan eindelijk zou kennen, ik/ zou weggaan G, ik houd er niet van om/ te worden gekend door iemand die ik niet” schreef Rutger Kopland in zijn aan ‘G’ gerichte cyclus. Voor ‘G’ mag je wel ‘God’ lezen. Iemand die je kent en die jij niet kunt kennen. Iemand die je altijd in de gaten heeft. Het is een beeld dat menigeen schrik aanjaagt en dat alleen verdraaglijk gemaakt kan worden door te veronderstellen dat het een liefdevolle blik is die op je geworpen wordt. Maar de NSA, de bedrijven, de zorgverzekeraars, de hackers, de stalkers, de snuffelaars, die werpen geen liefdevolle blik.

Op internet krijg je aanbiedingen ‘op maat’. LinkedIn biedt mij mensen aan die ik inderdaad ken – zelfs als we volgens datzelfde LinkedIn maar één gemeenschappelijke LinkedIn-connectie hebben.

Dat betekent dus dat het programma zijn gegevens niet alleen van mijn LinkedIn-gedrag haalt, maar ook in mijn emailcontacten kan neuzen? Ziet met welke andere computers de mijne contact maakt?

Daar zit niet meer iemand achter die dat wil weten, dat gebeurt gewoon. De technologie is er en die werkt dus.

G.

Het voelt alsof er iets heel fundamenteels wordt aangetast. Niet alleen je privacy, die ook, in de eerste plaats. Maar ook je recht om eigenaardig te zijn, ongekend te zijn. Er is, hoe onschuldig dat ook is, iets irritants aan een computerprogramma dat, als je bijvoorbeeld een boek hebt gekocht, meteen zegt: ‘dit vind je vast ook leuk’.

Nee! Dat vind ik helemaal niet leuk! Ik wil niet weten wat ‘andere lezers’ kochten, met de stille aansporing erachter: Doe dat ook! Je wilt toch graag net zo zijn als andere lezers? Je wilt toch graag mee kunnen praten?

Zelfs als je niet meteen denkt aan de angstaanjagende gevolgen die al dat gespioneer kan hebben, dan nog zit er iets weerzinwekkends in het gelijkmakende karakter van dit alles: jij bent zoals alle anderen. We weten wat je ‘leuk’ vindt. We weten alles over je.

„Ik zou weggaan”, schrijft Kopland. Maar er valt hier helemaal niets weg te gaan. „Ik zou je vergeten,/ maar door jou niet worden vergeten.” Zo is het precies.

„Kijk, daar houd ik niet van, te blijven leven/ waar ik zelf niet meer ben”.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.