YOLO! We maken ze helemaal gek!

Jongeren willen lol maken en feesten, zeker op Oudejaarsavond // En in de 21ste eeuw hoort daar geweld bij: spelen met de gevestigde orde

verslaggever

Het is een koele, maar zonnige lentedag. Ajax heeft de kampioenstitel gewonnen en de fans dansen op het Leidseplein. Af en toe zijn er opstootjes, vechtpartijtjes, en de politie smoort die telkens binnen de minuut. Iedereen is blij. Kijk, daar rennen weer een hoop jongens in zwarte jassen en Ajax-sjaals over de trambaan. Ze worden ingehaald door van die kleerkasten met korte jackies en op schoenen met profielzolen, het uniform van de arrestatieteams.

Een blonde jongen staat uit te hijgen in een steegje. Hij is niet aangehouden, schikt zijn rood-witte sjaal en ziet ineens de oudere man naast hem die staat te kijken naar het gewoel bij het politiebusje. De blonde jongen heeft zijn adem teruggevonden. „Kom”, zegt hij met een brede grijns tegen de oudere man. „We gaan ze helemaal gek maken.”

Waarom wou die blonde jongen de politie gek maken, zelfs op het gevaar af dat hij klappen zou krijgen of gearresteerd zou worden?

Zou het antwoord hetzelfde kunnen zijn als dat op de vraag waarom gisternacht, in verschillende plaatsen in Nederland, Oudejaarsfeestvierders stenen, vuurwerk en bierflesjes gooiden naar politie en hulpverleners? Omdat het kan. Lachen toch? Yolo!

Waar is het feestje?

Anderhalf jaar geleden trokken jongeren massaal naar Haren, Groningen, onder het motto ‘Waar is het feestje? Hier is het feestje!’ Volgens de autoriteiten berustte alles op een misverstand. Een meisje had de uitnodiging voor haar verjaarsfeest iets te wijd verspreid en ineens dreigde heel Nederland te komen. En hoe harder de burgemeester zei dat het niet de bedoeling was, hoe leuker mensen het vonden om naar Haren te gaan. „Wij bepalen zelf wel of er een feestje is of niet”, zei een van de feestgangers na afloop, toen Project X op een veldslag met de politie was uitgelopen.

De titel van het onderzoeksrapport naar de gebeurtenissen in Haren luidde: ‘Twee werelden. You Only Live Once.’ Yolo, maakt niet uit wat je overkomt, je leeft maar één keer, de kreet van de rebels without a cause van nu.

Een van de onderzoekers die verklaringen zocht voor de rebellie in Haren, was socioloog Gabriël van den Brink. Drank en drugs speelden natuurlijk een rol. Die ontremmen de mens – dat was gisteren ook zo. „Iedereen werkt 150 procent van de tijd die in zijn cao is afgesproken”, zei Van den Brink. „Wat gebeurt er dan vrijdagavond? Misschien wel om te compenseren voor al die dagen dat je achter je beeldscherm zat. Dan ga je feesten. Dan ga je drinken. Dan ga je ‘los’, zoals dat tegenwoordig heet.”

Bij los gaan hoort niet alleen slikken en spuiten, maar ook geweld. Anders voelt het niet echt. In de film Fight Club (1999) zegt de charismatische initiator van vrijwillige vechtpartijen, Tyler Durden: „Ik zie al deze mogelijkheden en ik zie de verspilling. Godverdomme, een hele generatie die staat te tanken, die bedient; slaven met een witte boord. Reclame laat ons achter auto’s en kleren aanjagen, we hebben baantjes die we haten zodat we rotzooi kunnen kopen die we niet nodig hebben. We zijn de middelste kinderen van de geschiedenis. We hebben geen doel en geen plaats. We hebben geen Grote Oorlog, geen Grote Depressie. Onze Grote Oorlog is een geestelijke strijd, onze Grote Depressie is ons leven. We zijn opgegroeid met de televisie, in het geloof dat we allemaal op een dag miljonair zullen zijn, en filmhelden en rocksterren. Maar dat gebeurt niet. En dat beginnen we ons langzaam te realiseren. En we zijn heel, heel erg boos.”

Het is bijna een profetie, een voorspelling van de levenshouding van de feestgangers uit de 21ste eeuw – op die boosheid na. Want de levenshouding wordt meer door lol dan door woede geïnspireerd. Daarom hebben al die opstootjes in Nederland, die aanvallen op hulpverleners en politiemensen, ook zo weinig betekenis. Het is geen opstand tegen de gevestigde orde, het is spelen met de gevestigde orde. „We gaan ze helemaal gek maken.”

Fout? Hoezo fout?

Op 21 september 2012, de avond van Project X, zat Gabriël van den Brink zelf thuis en keek op tv naar de beelden uit Haren. „Dat gaat fout”, zei hij. Zijn achttienjarige zoon zat naast hem, bekeek dezelfde beelden en zei: „Fout? Hoezo fout? Het ziet er leuk uit. Ik had er bij willen zijn.’’

Die twee werelden, die twee logica’s, kwamen in Haren frontaal met elkaar in botsing. En dat is op die septemberavond in Haren niet anders dan in de laatste Oudejaarsnacht anywhere in Nederland. De logica van het bevoegd gezag botst met die van jongeren die een feestje willen. De rationele god Apollo met de uitdagende genieter Dionysos, zoals de Haren-onderzoekers schreven.

De autoriteiten zijn een essentieel onderdeel van het feest. Zonder hen als tegenstander is er geen spel. Wat voor de overheid geweld is – en niet te vergeten: vooral voor de slachtoffers – is voor de daders deel van de feestvreugde. Als minister Plasterk of Opstelten vooraf zegt dat mensen vooral geen geweld mogen gebruiken tegen hulpverleners, is de kick om het wel te doen des te groter. Om ze gek te maken. Snelrecht? Extra zware straffen? Yolo!

Als het rebellie is, dan zonder betekenis en zonder risico’s. Kenmerkend is de houding van hooligans. Als vijandige groepen hooligans met elkaar op de vuist gaan en de mobiele eenheid komt eraan, keren ze zich meteen samen tegen de politie. Veel leuker. Veel veiliger. De politie is getraind in gecontroleerd vechten. Krijg je een keer een tikje van ze? Nou, dan voel je toch weer even dat je leeft. Net als de mannen in Fight Club.