Weer even voelen dat je leeft

Als het rebellie is, dan rebellie zonder risico of betekenis

Het is een koele, maar zonnige lentedag. Ajax heeft de kampioenstitel gewonnen en de fans dansen op het Leidseplein. Af en toe zijn er opstootjes, vechtpartijtjes, en de politie smoort die telkens binnen de minuut. Iedereen is blij. Kijk, daar rennen weer een hoop jongens in zwarte jassen en Ajax-sjaals over de trambaan. Ze worden ingehaald door van die kleerkasten met korte jackies, op schoenen met profielzolen, het uniform van de arrestatieteams.

Een blonde jongen staat uit te hijgen in een steegje. Hij is niet aangehouden, schikt zijn roodwitte sjaal en ziet ineens de oudere man naast hem die staat te kijken naar het gewoel bij het politiebusje. De blonde jongen heeft zijn adem teruggevonden. „Kom”, zegt hij met een brede grijns tegen de man. „We gaan ze helemaal gek maken.”

Waarom wou die blonde jongen de politie gek willen maken, op het gevaar af dat hij klappen krijgt of gearresteerd kan worden?

Misschien is het antwoord hetzelfde als dat op de vraag waarom gisternacht, in verschillende plaatsen in Nederland, Oudejaarsfeestvierders stenen, vuurwerk en bierflesjes gooiden naar politie en hulpverleners. Omdat het kan. Lachen toch? Yolo!

Anderhalf jaar geleden trokken jongeren massaal naar Haren, Groningen, onder het motto: „Waar is het feestje? Hier is het feestje!” Volgens de autoriteiten berustte alles op een misverstand. Een meisje had de Facebook-uitnodiging voor haar verjaarsfeest iets te wijd verspreid en ineens dreigde heel Nederland komen. En hoe harder de burgemeester zei dat het niet de bedoeling was, hoe leuker mensen het vonden om naar Haren te gaan. „Wij bepalen zelf wel of er een feestje is of niet”, zei een van de feestgangers na afloop, toen ‘Project X’ op een veldslag met de politie was uitgelopen.

De titel van het onderzoeksrapport naar de gebeurtenissen in Haren luidde: ‘Twee werelden. You Only Live Once.’ Yolo, maakt niet uit wat je overkomt, je leeft maar één keer, het is de kreet van de rebels without a cause van nu.

Socioloog Gabriël van den Brink was een van de onderzoekers die verklaringen zocht voor de rebellie in Haren. Drank en drugs speelden natuurlijk een rol. Die ontremmen de mens – dat was gisteren niet anders. „Iedereen werkt 150 procent van de tijd die in zijn cao is afgesproken”, zei Van den Brink in deze krant. „Wat gebeurt er dan vrijdagavond? Misschien wel om te compenseren voor al die dagen dat je achter je beeldscherm zat, ga je feesten. Dan ga je drinken. Dan ga je ‘los’, zoals dat tegenwoordig heet. Een feest waar je niet los gaat, dat is geen feest.”

Bij los gaan hoort niet alleen slikken en spuiten, maar ook geweld. Anders voelt het niet echt. In de film Fight Club (1999) zegt charismatische initiator van vrijwillige vechtpartijen, Tyler Durden: „Ik zie al deze mogelijkheden en ik zie de verspilling. Godverdomme, een hele generatie die staat te tanken, die bedient; slaven met een witte boord. Reclame laat ons achter auto’s en kleren aanjagen, we hebben baantjes die we haten zodat we rotzooi kunnen kopen die we niet nodig hebben. We zijn de middelste kinderen van de geschiedenis. We hebben geen doel en geen plaats. We hebben geen Grote Oorlog, geen Grote Depressie. Onze Grote Oorlog is een geestelijke strijd, onze Grote Depressie is ons leven. We zijn opgegroeid met de televisie, in het geloof dat we allemaal op een dag miljonair zullen zijn, en filmhelden en rocksterren. Maar dat gebeurt niet. En dat beginnen we ons langzaam te realiseren. En we zijn heel, heel erg boos.”

Het is bijna een profetie, een voorspelling van de levenshouding van de feestgangers uit de 21ste eeuw – op die boosheid na. Want de levenshouding wordt meer door het verlangen naar lol dan door woede geïnspireerd. Daarom hebben al die opstootjes in Nederland, die aanvallen op hulpverleners en politiemensen, ook zo weinig betekenis. Het is geen opstand tegen de gevestigde orde, het is spelen met de gevestigde orde. „We gaan ze helemaal gek maken.”

Op 21 september 2012, de avond van Project X, zat Gabriël van den Brink thuis en keek naar de beelden uit Haren op televisie. „Dat gaat fout”, zei hij. Zijn achttienjarige zoon zat naast hem, bekeek dezelfde beelden en zei: „Fout? Hoezo fout? Het ziet er leuk uit. Ik had erbij willen zijn.”

Die twee werelden, die twee logica’s, kwamen in Haren frontaal met elkaar in botsing. Dat vond Van den Brink de belangrijkste ontdekking in zijn onderzoek. En dat is op die septemberavond in Haren niet anders dan in de laatste Oudejaarsnacht waar ook in Nederland. De logica van het bevoegd gezag botst met die van jongeren die een feestje willen. De rationele god Apollo met de uitdagende genieter Dionysos, zoals de Haren-onderzoekers het omschreven.

De autoriteiten zijn een essentieel onderdeel van het feest. Zonder hen als tegenstander, is er geen spel. Wat voor de overheid en niet te vergeten de slachtoffers geweld is, is voor de daders deel van de feestvreugde. Als de ministers Plasterk en Opstelten vooraf zeggen dat mensen vooral geen geweld mogen gebruiken tegen hulpverleners, is de kick om het te doen des te groter. Om juist te doen wat de autoriteiten niet willen dat je doet. Om ze gek te maken. Snelrecht? Extra zware straffen? Yolo!

Als het al rebellie is, dan toch rebellie zonder betekenis en zonder risico’s. Kenmerkend is de houding van de hooligans. Als vijandige groepen gaan ze met elkaar op de vuist, maar komt de mobiele eenheid eraan dan keren ze zich samen tegen de politie. Veel leuker en veiliger. De politie is getraind in gecontroleerd vechten. Krijg je een keer een tik? Nou, dan voel je toch weer even dat je leeft. Net als de mannen in Fight Club.