‘Schilderen is paniekbeheersing’

Van oorsprong is hij schilder, maar Jacco Olivier brak pas echt door toen hij films ging maken. In februari opent zijn solotentoonstelling ‘Cycle’ in het Haagse GEM.

Eigenlijk is hij schilder, maar Jacco Olivier brak door toen hij animaties ging maken van zijn schilderijen. Met een stop-motiontechniek brengt hij geschilderde voorstellingen – walvissen, honden, baadsters – tot leven. Zijn atelier op de bovenverdieping van een Amsterdams grachtenpand hangt vol schilderijtjes en foto’s daarvan, die pas in een computer samenkomen tot films die hij op groot formaat projecteert.

„Aanvankelijk, op de kunstacademie, maakte ik grote schilderijen. Heel Amerikaans. Soms deed ik wel een jaar over zo’n doek, laag over laag. Dat werd voor mij te pretentieus, het werkte niet. Toen ging ik stukken ervan fotograferen en hing één van die foto’s bij de Koninklijke Prijs voor de Schilderkunst. ‘Dat is geen schilderkunst’, zei koningin Beatrix nog. Zo maakte ik overdag schilderijen en fotografeerde daarin de delen die me bevielen, bekeek ’s avonds die foto’s, ging er wat mee spelen, filmpjes maken. Dat liet ik niemand zien, dat was slechts spielerei.”

Dat veranderde door een atelierbezoek van de beroemde Londense galeriehoudster Victoria Miro, die Olivier vroeg voor een groepstentoonstelling. „Ik dacht dat ik geen schijn van kans had. Dus ik dacht, ik toon zo’n filmpje. Ik had niets te verliezen.”

Maar Miro viel voor die film, waarna andere internationale galeries zouden volgen. Inmiddels is zijn werk meer te zien in Amerika dan in Nederland. Films is hij blijven maken: „Eén zo’n geschilderd beeld vind ik te definitief, in een film kan ik meer laten gebeuren.” Aanvankelijk, zo’n tien jaar geleden, waren die animaties figuratief. Bijvoorbeeld een landschap met een trein die hij „als kauwgom uit elkaar trekt”. Hij grapt dat er een soort jongensachtig autisme zit in dat spel met die techniek, maar tegelijk onderzoekt hij zo schilderkunstige kwesties – hoe verhalend kan kunst zijn, wat betekent schoonheid, wanneer wordt iets kitsch? „Soms moet je zo’n risico aan durven gaan, zoals in Revolution, een film van een sterrenhemel. Behalve planeten heb ik er ook vallende sterretjes in gemonteerd, abstracte druppeltjes verf.”

Dat maakt elke film een onderzoek, waarvoor hij zo’n tweehonderd tot driehonderd schilderingen maakt. Al kan het verloop ineens afwijken: „Dan ontdek je iets daar waar je net een kwast hebt afgeveegd, iets onverwachts, iets wat je wilt uitvergroten. En zodra ik foto’s van die schilderingen in de computer laat crossfaden, ontstaan weer andere onvoorziene effecten en nieuwe betekenissen. Voorstellingen worden abstracter, water blijkt te gaan bewegen. Toen ik mijn film van een walvis projecteerde, leek het eindresultaat een soort aquarium, totaal geloofwaardig. Zoiets krijg je cadeau als je dingen laat gebeuren zonder te plannen. Het proces is heel vervelend omdat je nooit weet wat eruit komt, maar het resultaat is heel fijn.”

Het is vervelend om kunst te maken? „Je wilt dat iets lukt maar je wilt het niet overwerken. Ik hou van de jonge Klee of van Munch, hun schilderingen zien eruit alsof ze zo uit de mouw zijn geschud. Dat lukt mij niet. Elk werk betekent toch een worsteling. Lang dacht ik dat het wel een keer vanzelf zou gaan, maar dat is niet zo. In dat opzicht is schilderen een soort paniekbeheersing. Je zoekt betekenis, verzachting. Ik wil ook dat mijn films een gevoel van vrijheid, blijheid uitstralen. Zelfs al kosten ze bloed, zweet en tranen.”

Die vrijheid en verzachting ontstaat aanvankelijk op miniatuurniveau, blijkt in zijn atelier. Daar hangen kleine paneeltjes, met verfklodders, vogels, mensfiguurtjes. Gefotografeerd en opgeblazen in de computer transformeren ze tot iets anders: wunderkammers, vertes, sterrenhemels. Eén paneeltje pakt hij van de muur. „Dit maakte ik vorig jaar in Amerika, tijdens een residency in San Antonio. Ik ging er blanco heen, indrukken opdoen, maar dat geeft op zeker moment ook stress. Je moet wel iets gaan maken. Toen ben ik veel gaan fietsen, dat gebied nabij de Mexicaanse grens verkennen. Alles bleek geverfd te zijn, kleurige huizen, zelfs reclames als van Coca-Cola zijn handgeschilderd. Ik ben die pastelkleuren gaan naschilderen en werd verliefd op het werk van Helen Frankenthaler, een abstract expressionist. Zo ben ik verf over elkaar gaan gooien en ontstond dit landschap, een abstracte kleurmeditatie. Het heet Cycle, omdat het een loop is. En het verwijst naar het fietsen.”

Cycle is de grootste van de twaalf films in het GEM, en wordt vijftien meter breed geprojecteerd. Terwijl Olivier de computer opstart om zijn film – in wording – te tonen, vertelt hij over zijn andere expositieplannen in 2014, vooral in de VS. „En ik overweeg om toch weer eens wat schilderijen te laten zien in Amerika.” Van vroeger heeft hij ook nog vijf werken over, antwoordt hij desgevraagd – „om nostalgische redenen”. Maar ze staan wel op de gang.

Dan verschijnt op zijn computerscherm een geschilderd huisje, waar lichten en vlakken bewegen rond een mysterieuze stilte. „Dit wordt een abstracte droomsequentie. Ik heb scènes zat, maar hink nog op twee gedachten. Ik zei eens dat ik wel bij een schilderij er aan de voorkant in wilde en er aan de achterkant weer uit. Misschien gaat me dat nu een keer lukken.”

Jacco Olivier: ‘Cycle’. 2 febr t/m 4 mei in het GEM, Stadhouderslaan 43, Den Haag. Inl: www.gem-online.nl