Naakte muren zijn helemaal uit de mode

Het Nieuwe Instituut vraagt aandacht voor decors en behang. Maar het is lastig om daar lang naar te blijven kijken.

De foto Grief, Grace (2007) die Erwin Olaf maakte in een decor van interieurbouwer Floris Vos dat op de expositie te zien is. Foto Erwin Olaf

Niet met één, maar met twee tentoonstellingen presenteert Het Nieuwe Instituut zichzelf na bijna een jaar lang nadenken over wat een fusie-instituut voor architectuur, design en e-cultuur moet zijn. Misschien om de internationale ambities van het instituut te onderstrepen hebben de twee exposities een Engelse en een Duitse titel gekregen: 1:1 Sets for Erwin Olaf en Bekleidung. Ondanks de tweetaligheid vormen ze één geheel in de grote zaal van het voormalige Nederlands Architectuurinstituut. De door de Belgische gastcurator Erich Weiss geselecteerde behangsels van dode en levende kunstenaars als Andy Warhol, Damien Hirst en Jef Geys hangen tussen de door Floris Vos ontworpen decors waarin fotograaf Erwin Olaf foto’s als Hope en Keyhole heeft geschoten.

De titel van de behangtentoonstelling is een verwijzing naar het ‘Prinzip der Bekleidung’, een van de steunpilaren van het theoretische werk van de 19de-eeuwse Duitse architect Gottfried Semper, bekend van onder meer de Semperoper in Dresden. Vanuit de overtuiging dat de bouwkunst niet was begonnen met een oerhut van boomstammen en takken maar met een tent van doeken, beschouwde Semper bekleding van binnen- en ook buitenmuren als een van de hoofdtaken van een architect.

Bekleidung als titel suggereert veel. In de twintigste eeuw, het tijdperk van het modernisme, beschouwden veel architecten Bekleidung als iets achterhaalds. Volgens modernisten ging het in de architectuur om niets minder dan de ‘waarheid’ en dus verhulden ze hun muren en constructies niet, maar lieten die zien in al hun harde stalen en betonnen naaktheid. Maar het modernisme is allang verleden tijd en in deze postmoderne tijden is Bekleidung weer helemaal terug, zo lijkt de boodschap van het Nieuwe Instituut.

Lijkt, want of dit ook echt de boodschap is en of Bekleidung niet meer is dan een wichtigmacherige Duitse titel om indruk te maken, is niet zeker. Niet alleen is de toelichting op beide exposities summier, ook de inhoud van de dubbeltentoonstelling, de eerste van een aangekondigd drieluik over interieurarchitectuur van Het Nieuwe Instituut, is uiterst mager. Zeker, behang is een van de eenvoudigste vormen van bekleding, maar de behangsels in kwestie nodigen niet uit tot lang kijken. Al moet je bij het behang van Sarah Lucas toch even goed kijken voor je doorhebt dat er geen soep met ballen op is afgebeeld, maar van boven gefotografeerde eikels. Bij de rest van de behangsels sta je net zo lang stil als bij gewoon behang.

Hetzelfde geldt voor de zes interieurs die decorbouwer Floris Vos maakte voor de foto’s van Erwin Olaf. Olaf houdt niet van de realiteit, heeft hij eens gezegd, en voor zijn foto’s laat hij daarom vaak hele interieurs bouwen. Op basis van aanwijzingen als „het moet zijn als in een schilderij van Norman Rockwell” en wat krabbeltjes van Olaf, bouwde Vos binnenhuizen waarin hij aan elk detail, van lambrizeringen tot behang, aandacht heeft besteed.

Maar hoe knap ze ook gemaakt zijn, erg lang houden ook de interieurs de aandacht niet vast. De sfeer die ze moeten oproepen – en dat is toch waar ze voor dienen – heb je immers in één oogopslag wel gezien. Je staat erbij en je kijkt ernaar: over de mogelijke terugkeer van het Prinzip der Bekleidung in de echte interieurarchitectuur zeggen Vos’ binnenhuizen en de behangsels niets. Zo blijft de bezoeker zitten met de vraag: wat wil Het Nieuwe Instituut nu eigenlijk beweren of laten zien met zijn eerste grote tentoonstelling?