Burgerparticipatie moet dan vooral in de probleemwijken

De ‘burgerkracht’-discussie verhult handig het gebrek aan bestuurlijke creativiteit bij de oplossing van lokale vraagstukken, schrijft Vasco Lub.

Als onderzoeker op het terrein van maatschappelijke kwesties, word ik regelmatig gevraagd op welke wijze de overheid burgerparticipatie kan bevorderen.

Daarmee word ik echter voorbij de vraag geplaatst welk doel het dan moet dienen en of meer burgeractivisme eigenlijk wel noodzakelijk is. Vooral probleemwijken worden van overheidswege overspoeld met initiatieven die de actieve inzet van bewoners moeten bevorderen.

Van informeel hulpbetoon tot bijdragen aan wijkveiligheid, iedereen moet ,,meer meedoen”. Ondertussen laat onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) zien dat de actieve inzet van bewoners in de krachtwijken de afgelopen jaren alleen maar is afgenomen. Ook zijn er van wetenschappelijke zijde steeds vaker kritische geluiden te horen over de draagkracht van kwetsbare burgers. Dergelijke beschouwingen leiden echter zelden tot bestuurlijke bezinning. Burgerparticipatie moet en zal. Wat zit hier achter? Waarom zijn lokale overheden zo gepreoccupeerd met burgerparticipatie? Waarom manifesteert het zich zo nadrukkelijk in achterstandswijken? En waarom is de bewonersinzet aldaar desondanks afgenomen?

Een veel gehoord argument is dat de hang naar burgerparticipatie wordt veroorzaakt door de huidige decentralisatiemaatregelen. De rijksoverheid trekt zich terug en hevelt bijvoorbeeld zorgtaken over naar de gemeenten. Die moeten die taken vervolgens vervullen met minder financiële middelen. De burger moet dus wel zelf in actie komen om dit gat enigszins te dichten. Een ander veelgehoord argument is dat een paternalistische overheid niet meer van deze tijd is. Burgers zouden zelf meer verantwoordelijkheid willen.

Dergelijke argumentaties dienen echter vooral het belang van de overheid. Het ‘burgerkracht’-debat verhult handig het gebrek aan bestuurlijke creativiteit bij de oplossing van complexe lokale vraagstukken.

Voor de meeste gemeenten is ‘burgerkracht’ een welkome beleidsclassificatie waar allerlei thema’s onder geschaard kunnen worden. Een blik op de huidige beleidsnota’s illustreert dit. Multiproblematiek? Burgerkracht! Jeugdoverlast? Burgerkracht! Eenzame ouderen? Burgerkracht! Waar die burgerkracht precies uit moet bestaan, wordt in vrijwel geen enkele nota geëxpliciteerd.

Ten tweede de kwestie waarom het beleidsdoel van burgerparticipatie zich zo sterk fixeert op achterstandswijken. Deels wordt dit veroorzaakt doordat veel problemen zich ruimtelijk concentreren. En omdat burgerkracht tegenwoordig wordt beschouwd als universele oplossing voor allerlei sociale vraagstukken, zien we het discours dus vooral hier opduiken. Toch vermoed ik dat er tevens sprake is van projectie, een term uit de psychologie. Van projectie is sprake wanneer men eigenschappen van zichzelf ontkent of toeschrijft aan iets of iemand anders.

De burgerschapsidealen die we in de beleidsnota’s tegenkomen, zijn geformuleerd door een selecte groep hoogopgeleide burgers, die haar eigen visie over het goede leven projecteert op een kwetsbare categorie burgers, maar zelf goeddeels uitgezonderd blijft van deze verplichtingen.

Hoe anders te verklaren waarom ‘participatie’ geldt als een statistische indicator van de leefbaarheid van aandachtswijken, maar niet in middenklasse- en voorstandswijken? En hoe anders te verklaren waarom verstandelijk gehandicapten of ex-verslaafden met het oog op ‘participatie’ wel gehuisvest worden in aandachtswijken, maar zelden in middenklasse- en voorstandswijken?

Ten derde de vraag waarom de actieve bewonersinzet in achterstandswijken de afgelopen jaren is afgenomen. Allereerst zou ik de verklaring zoeken in de botsende logica’s van overheid en burger. De meeste overheidsdiensten weten nog altijd niet constructief in dialoog te treden met burgers. En burgers die zelf initiatief nemen, stuiten vaak op weerstand, zo berichtte deze krant onlangs nog op basis van onderzoek van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG).

Bewoners en professionals spreken vaak niet dezelfde taal en interpreteren wijkproblemen soms heel verschillend. Daarnaast bijten actieve bewoners zich vaak stuk op bureaucratische belemmeringen en inflexibiliteit van de kant van professionals. De klassieke botsing tussen systeem -en leefwereld dus. Mogelijk zijn er bij de start van het krachtwijkenbeleid dus te hoge verwachtingen ontstaan over de verbetering van die wijken – verwachten die vervolgens niet konden worden waargemaakt waardoor bewoners afhaakten.

Er is niks mis met actief burgerschap. Maar het is tijd voor bezinning. We moeten af van de situatie waarbij ‘burgerkracht’ als allesomvattende oplossing voor sociale problematiek wordt gezien, die in de praktijk onevenredig op het zwakkere deel van de samenleving wordt geprojecteerd. In een bepaalde periode was het wellicht verstandig het begrip te gebruiken. Maar het burgerkracht-discours is zo langzamerhand verworden tot wat de bestuurskundigen Van Montfort e.a. een „stille ideologie” noemen, tot een manier van denken die strategisch gedachteloos wordt omarmd.

Wat vooral node wordt gemist, is een maatschappelijke discussie over hoe precies de verhoudingen liggen tussen overheid en burger. Ontegenzeggelijk zijn er zaken die burgers prima (of beter) zelf kunnen organiseren. Maar er zijn ook dossiers waar burgers maar een beperkte bijdrage aan kunnen leveren. Pas als we meer inzicht krijgen in wat wel en niet van burgers kan worden verlangd, kunnen we voorbij de vraag reiken op welke wijze de overheid burgerparticipatie kan bevorderen, en de meer oorspronkelijke vraag stellen welke functie het in de eerste plaats dan wel kan dienen.