Partijen Belfast strijden over gebruik Britse en Ierse vlag

Geen compromis over enkele netelige kwesties

Vlaggen bleken vannacht het grootste struikelpunt. En daarmee mislukten na zes maanden onderhandelen vredesbesprekingen in Noord-Ierland. Die hadden moeten leiden tot een oplossing voor de drie meest netelige kwesties die, vijftien jaar na het Goede Vrijdag-akkoord dat een officieel einde maakte aan de bloedige burgeroorlog tussen katholieken en protestanten, nog altijd voor geweld zorgen. De explosieven opruimingsdienst werd afgelopen jaar 400 keer opgeroepen, 73 projectielen ontploften.

De onenigheid gaat, behalve over wanneer en waar Britse en Ierse vlaggen mogen wapperen, over de route van protestantse oranjemarsen, en over hoe er met het verleden moet worden omgegaan, en of daders van misdrijven die tijdens de oorlog werden gepleegd, moeten worden vervolgd. Een groot deel van de 3.600 moorden die tijdens de zogenoemde Troubles plaatsvonden, is nog altijd onopgelost.

Na een bijzonder gewelddadige zomer, en hevige demonstraties over het strijken van de Britse vlag op het stadhuis van Belfast, hadden premier Peter Robinson en vicepremier Martin McGuinness de hulp ingeroepen van de Amerikaanse diplomaat Richard Haass. Hij was tussen 2001 en 2003 de Amerikaanse gezant in Noord-Ierland. Voor het einde van het jaar wilde Haass, samen met de eveneens Amerikaanse medeonderhandelaar Meghan O’Sullivan, met een oplossing komen.

Hij zou hebben voorgesteld dat er een nieuwe nationale instelling moet worden opgericht die toestemming moet geven voor oranjemarsen. Een waarheidscommissie zou moeten kijken naar onopgeloste moorden, en eventueel immuniteit verlenen aan degenen die meewerken om nabestaanden duidelijkheid te geven over wat er met hun geliefden is gebeurd.

Sinn Féin, de grootste katholieke en nationalistische partij in de Noord-Ierse regering, was vannacht bereid Haass’ voorstel te accepteren. Partijleider Gerry Adams noemde het weliswaar „een compromis”, maar het alternatief is volgens hem dat jongeren „met hun voeten stemmen en in Schotland, Engeland of ergens anders gaan wonen”.

Ook de nationalistische Social Democratic and Labour Party stemde in.

De Democratic Unionist Party, de grootste protestante partij, en de Ulster Unionist, hadden echter grote bezwaren tegen het taalgebruik, en vonden dat Haass zich te veel richtte op moorden die door Britse troepen waren gepleegd. De DUP zegt wel tot een oplossing bereid te zijn. „We zijn het de Noord-Ieren verschuldigd, zeker de onschuldige slachtoffers van terrorisme.” De Alliance Party, een niet-sectarische partij, had moeite met de voorstellen over marsen.

Over vlaggen werd nauwelijks overeenstemming bereikt, vertelde Haass vanochtend aan de BBC. De vlaggen worden gezien als een belangrijke uitdrukking van culturele identiteit. Protestanten en unionisten – zij die de unie met het Verenigd Koninkrijk willen behouden – zweren trouw aan de Britse vlag. In katholieke en nationalistische wijken hangt vaak de Ierse vlag. Haass zou hebben een voorstel voor officiële vlagdagen hebben gedaan, en een lijst met openbare gebouwen waarop de Britse vlag dan zou wapperen. Hij zou ook hebben gepleit voor het beperken van onofficiële vlaggen op openbare plekken.

Afgelopen weekeinde bleek al dat de onderhandelingen hierover moeizaam verliepen. Het Witte Huis riep de vijf partijen toen tevergeefs op tot een compromis.

Een nieuwe datum is niet geprikt. Toch sprak Haass vanochtend niet over een mislukking: „Succes moet je niet afmeten aan wat we nu vertellen of wat de partijleiders nu zeggen – ik vraag u over zes maanden, een jaar, achttien maanden, twee jaar, nog eens te kijken. Dat zal een realistischer beeld geven.” Hij riep premier Robinson en vicepremier McGuinness op zijn voorstel te publiceren, opdat de Noord-Ieren zelf kunnen oordelen over wat er is bereikt.