Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Marcel ‘Kwertje werme’

Ik werd geboren onder de rode neonletter W van WINKELCENTRUM PRESIKHAAF die op het dak van onze flat aan het Coeckplein in Arnhem stond. Mijn ouders kwamen uit kleine dorpjes in Brabant en moesten wennen aan de stad en haar bewoners. Toen ze zich in hun netste kleren gingen voorstellen op de galerij zei de buurvrouw: „Wij hebben liever geen contac.”

‘Contac’ en niet ‘contact’.

In het ‘Ernems’ slikken ze de ‘t’ in, verandert de ‘a’ in een ‘e’ en gebruiken ze veelvuldig bijvoeglijke naamwoorden als ‘schijt’ en ‘vies’. Fraai klinkt dat allemaal niet, maar als iemand me in die taal aanspreekt maakt mijn hart altijd een sprongetje.

Ik trof een Arnhemmer in Amsterdam, hij zei er maar meteen bij dat hij blij was weg te zijn uit de „schijt-stad” waarin hij en ik opgroeiden. Hij vertelde me twee verhalen die ik meteen herkende.

Het eerste ging over ‘kwertje werme’, een fenomeen dat hij, een voetbalfanaat, alleen in Arnhem had gezien. Op de staantribunes van Vitesse verwarmden volwassen mannen tijdens wedstrijden in de wintermaanden hun muntgeld met een aansteker, waarna ze de gloeiende munten naar de kinderen bij het hek gooiden. Als die het dan opraapten, brandden ze hun vingers. Humor om te lachen.

Toen hij naar Amsterdam was verhuisd belandde hij in Paradiso, waar hij na wat wilde bewegingen op de dansvloer per ongeluk een biertje uit iemands handen stootte. „Ik stak meteen de handen omhoog”, zei hij. „Ik dacht: sla me maar in elkaar, ik heb het verdiend.” Het gebeurde niet, de man haalde de schouders op en zei: „Kan gebeuren, gappie.”

De oprechte verbazing was nog van zijn gezicht af te scheppen, zo was je in Luxor of discotheek Charlie niet weggekomen. Hier werd de kern geraakt: in Amsterdam, en in de rest van Nederland eigenlijk ook, waren de mensen aardiger, verdraagzamer en positiever dan in Arnhem.

Ik vertelde over kapper Kniest waar ze mijn vader per ongeluk in het oor knipten. Hij kreeg een pleister en vijf gulden korting. Na mijn vader dreef de kapper een klein kind met blonde krullen de stoel in, waarna hij verzuchtte: „Kiek nou, een schaap!”

En over die keer dat we uit eten gingen in een Arnhems restaurant. Het eten was er heerlijk. De serveerster informeerde een tafeltje verderop bij een man of het had gesmaakt. Zijn antwoord was: „Nou, ik spuug er niet in.”

Het was bedoeld als groot compliment.

Naar een stad met zulke bewoners verhuis je niet snel terug, maar je kunt er wel heimwee naar hebben.

    • Marcel van Roosmalen