In de slipstream van Duitsland

Oostenrijk verkeert als een van de weinige landen in de eurozone níet in crisis. Wat heeft dit land, behalve Sissi en Mozartkugeln, wat de rest van Europa niet heeft?

Op een mooie herfstmiddag vertelt een hoge Oostenrijkse ambtenaar over zijn land en de prioriteiten op zijn ministerie. Het woord crisis valt tweemaal – eenmaal als hij het over de politieke crisis in Bosnië heeft, en later nog eens in verband met de oorlog in Syrië en andere turbulentie in het Midden-Oosten. Geen woord over de eurocrisis. Geen woord over de recessie, of bezuinigingen, of eurocommissaris Olli Rehn met zijn tekortnorm van 3 procent.

Oostenrijk verkeert als een van de weinige eurolanden niet in crisis. Dat merk je aan alles. Demissionair kanselier Werner Faymann (van de sociaal-democratische SPÖ) kondigt aan dat de astronomische cultuurbegroting van de stad Wenen op peil blijft. Banken lenen soepel aan kleine bedrijven en huishoudens, terwijl ze elders in de eurozone op hun geld blijven zitten. Winkels draaien goed – ook de peperdure. Een bouwondernemer vertelt dat hij „een uitstekend jaar” draait.

Cijfers staven deze indrukken: Oostenrijk had in 2012 de laagste werkloosheid van de eurozone (4 procent), de economie groeide met 0,9 procent. Het begrotingstekort bedroeg 2,5 procent en de staatsschuld 73,4 procent van het bruto binnenlands product (bbp, in 2012: 271 miljard euro).

Volgens het meest recente rapport van de Europese Commissie moet Oostenrijk zich vooral zorgen maken over de vergrijzing, arbeidsparticipatie van vrouwen en minderheden en de kosten van de gezondheidszorg. Wat is het geheim van Oostenrijk? Wat heeft dit land, behalve Sissi en Mozartkugeln, wat de rest niet heeft?

Het antwoord is simpel – het is vooral de ligging. Die zorgde er om drie redenen voor dat de recessie die Oostenrijk eind 2008, begin 2009 vol trof, een jaar later alweer op haar retour was. Ten eerste ligt het land tegen Duitsland aan en is het er zó afhankelijk van, dat Oostenrijk floreert als Duitsland floreert.

Ten tweede is Oostenrijk een bergland: mooie zomers, strenge winters. Dominante sectoren zoals bouw en toerisme draaien op seizoensarbeid. Arbeidswetten weerspiegelen dat: het is relatief makkelijk mensen te ontslaan. Oostenrijk heeft een van de meest flexibele arbeidsmarkten van Europa. „Oostenrijkers werden niet panisch toen werkgevers in 2009 zeiden: ‘Als het beter gaat nemen we jullie weer in dienst’ ”, vertelt Ulrich Schuh van het onderzoeksinstituut EcoAustria. „Ze zijn het gewend. Zulk vertrouwen bestaat in veel andere Europese landen niet.”

Stimuleringspolitiek

En ten derde heeft Oostenrijk een immens achterland dat de klappen hielp opvangen: Centraal- en Oost-Europa. Bijkomende factoren droegen er ook aan bij dat de crisis in Oostenrijk na een jaar voorbij was. Zo stimuleerde de regering in 2009 de economie om de klap te verzachten.

Ook voeren werkgevers en werknemers, die beiden sterk georganiseerd zijn én gelieerd aan de conservatieve en de sociaal-democratische partij, permanent overleg. Dat zorgt voor consensus: deze partijen hebben tezamen vrijwel alle regeringen sinds de oorlog gevormd. Ze hebben geen belang bij polarisatie. Ook bij de verkiezingen van zondag haalden ze genoeg stemmen om samen door te regeren.

Maar dé reden van Oostenrijks welvaren in moeilijke tijden is dat het land, economisch gesproken, tegelijkertijd een Duitse provincie is én het gereanimeerde hart van een voormalig keizerrijk: het Habsburgse Rijk.

Al voordat de euro bestond of Oostenrijk zelfs maar toetrad tot de EU (in 1995), zat de schilling aan de mark geklonken. Het land heeft ervaring met het feit dat het geen monetaire trucs kan toepassen om competitiever te worden, maar hervormingen moet doorvoeren die pijn doen. Begrotingsdiscipline zit er, mede daardoor, diep in. Hervormingen vinden geleidelijk, maar doorlopend plaats.

Van alle export gaat 72 procent naar EU-landen. Duitsland (32 procent) is verreweg de grootste handelspartner. Oostenrijk zit vol toeleveranciers die machines, chemicaliën, auto-onderdelen of papier aan Duitse bedrijven leveren, die ze weer verwerken in producten voor wereldwijde export. Vandaar dat Oostenrijk eind 2009, na een scherpe krimp van 3,8 procent, in de Duitse slipstream snel uit het dal klom. In 2010 groeide de economie alweer met 1,8 procent.

Die afhankelijkheid van Duitsland, waarmee de relaties sinds de oorlog gecompliceerd zijn, wordt gecompenseerd door het feit dat de Oostenrijkers in hun voormalige imperiale achtertuin wel eerste viool spelen. Regeringsbrochures voor buitenlandse investeerders roemen de „traditionele banden” en „historische verwantschap” met voormalige Oostbloklanden. Tijdens de Koude Oorlog hield het neutrale Oostenrijk altijd contact.

Veel autochtonen hebben verwanten in Kroatië, Slowakije of Tsjechië, of reppen van grootvaders en oudooms die rechter waren in Slovenië of zaken deden in Hongarije. Het Weense telefoonboek staat vol Russisch aandoende namen. De Muur was nog niet gevallen of Oostenrijkse bedrijven zwermden uit over Oost-Europa. Tegelijkertijd groeide de bevolking van Wenen, die na 1918 was geslonken van 2,1 naar 1,5 miljoen, weer. De meesten waren Oost-Europeanen. De multi-etnische metropool van toen, decennialang doelloos gevangen in een klein monocultureel land, speelt zijn regionale rol weer met verve.

Supermarktketen Billa

Vluchten vertrekken vanuit Wenen naar de meest afgelegen bestemmingen in Oost-Europa. Poetsvrouwen, verhuizers en verpleegsters komen allemaal uit Polen of Slowakije. De supermarktketen Billa opende vorig jaar 43 winkels in Oost-Europa, waar de meeste winst vandaan komt, en sloot er 58 in Italië. Drie van de grootste vijf banken in Oost-Europa zijn Oostenrijks. Dit kostte een aantal van hen de kop: ze namen teveel risico’s en worden door de Oostenrijkse overheid overeind gehouden.

Veel bedrijven uit Oostenrijk zijn oostwaarts getrokken. In hun kielzog volgden multinationals die Oostenrijkse expertise gebruikten en in Wenen hun Oost-Europese hoofdkwartier vestigden. Zo opende BMW er in 2012 een kantoor, puur vanwege deze brugfunctie. Volgens directeur Kurt Egloff is Centraal- en Oost-Europa „in omvang de vierde markt voor BMW in Europa en de zevende wereldwijd”. BMW gebruikt vanuit deze hub één bank, één belastingadviseur en één transportbedrijf – allemaal uit Oostenrijk – om de regio te bedienen.

Oostenrijk (8,2 miljoen inwoners) is vierde investeerder in Oost-Europa. 21 procent van de export gaat naar deze regio. Het werkt ook omgekeerd: Oostenrijk begeleidt Oost-Europeanen in West-Europa. Oost-Europese en ook Russische bedrijven gebruiken het land als springplank westwaarts. Servië heeft net ex-kanselier Alfred Gusenbauer gecontracteerd om, samen met voormalig IMF-topman Dominique Strauss-Kahn, voor advies over de snelste weg naar EU-toetreding.

Bankcrash

Risico’s zijn er ook. Als de Duitse economie inzakt, of Oost-Europa in een dip raakt, is Oostenrijk kwetsbaar. Een groot risico zijn de banken. De Amerikaanse Nobelprijswinnaar Paul Krugman veroorzaakte in 2009 een schandaal toen hij zei dat de volgende grote bankcrash uit Oostenrijk kan komen, omdat zijn banken heel veel geld hebben uitstaan in Oost-Europa.

Brusselse ambtenaren, die er op moeten toezien dat de regering opschiet met de herstructurering van banken aan het staatsinfuus, worden soms tot wanhoop gedreven. Politieke inmenging in de financiële sector bemoeilijkt de schoonmaak; lokale overheden hadden eigen banken, de gouverneur van de nationale bank was voorheen parlementslid en bankier.

Er moet alsmaar geld bij de probleembanken. Dit drukt op de begroting. „We hebben al 3 procent van het bbp in de banken gestoken. Dat wordt zeker meer”, zegt econoom Ulrich Schuh. Gelukkig kan die begroting wel iets lijden. Kom daar elders in de eurozone eens om, dezer dagen.

    • Caroline de Gruyter