Hoe ik probeerde te verdwijnen

Verslaggever

Het is zeven uur ’s morgens, anderhalf uur nadat ik in het stikdonker de voordeur achter me heb dichtgetrokken, als ik oog in oog sta met mezelf. Paginagroot, op de achterkant van nrc.next: ‘verdwenen’. De foto is van mijn Facebook geplukt. Een man vlakbij mij in de treincoupé bladert door de krant. Ik trek mijn capuchon nog wat verder over mijn hoofd. Het geritsel van papier was nooit eerder zo’n onheilspellend geluid. Ik kan geen kant op in deze trein. Ik moet hier weg.

Maandag, 06.00 uur

Zonder voorbereiding ben ik vertrokken. Dat was de afspraak. Een extra paar kleren en een camera in een rugzak, telefoon, portemonnee, that’s it. Prioriteit: weg uit Amsterdam. Ver weg. Eén bekende tegenkomen en het is allemaal voorbij. Mijn telefoon zet ik uit, mijn ov-chipkaart laad ik op. De eerste trein: Maastricht.

07.30 uur

Wat een fout. De ochtendspits is de slechtst denkbare plek om te zijn. Te veel mensen, te veel smartphones en overal kranten. Mijn hoofd houd ik tegen de treinruit gedrukt, half onder mijn jas. Ik doe of ik slaap. In Den Bosch stap ik uit, snel onttrek ik me aan de mensenmassa op het station. Ik check niet uit. Het is nog donker, er is bijna niemand op straat. Op een bankje buiten het centrum besluit ik de spits uit te zitten. Ik zie de zon opkomen.

10.15 uur

En goed moment om inkopen te doen: nrc.next vergadert nu, misschien trekt dat Laura bij haar pc weg. Als een bezetene race ik door een Albert Heijn. Magnetronmaaltijd, pastasalade, sandwich, water, brood, beleg. Ik pin. Mijn locatie geef ik daarmee prijs, het moet maar. Buiten ren ik door naar de cashautomaat: 20 euro opnemen en wegwezen.

11.00 uur

Op naar Sittard. De trein is al leger. Ik ga mijn sporen na. Wat kunnen ze weten? Ingecheckt in Amsterdam, gepind in Den Bosch – ze hebben zo toch geen idee waar ik heenga? Als ik aankom, slaapt Sittard nog zo’n beetje. Maandagochtend, de winkels zijn dicht. Al gauw slaat de onrust toe. Herkend worden is mijn grootste zorg. Hoeveel risico lóóp ik eigenlijk? Is deze actie opgepikt? Ik wil me informeren, maar kan mijn telefoon niet gebruiken: aanzetten is gevonden worden.

13.00 uur

De winkels openen. In een Dixons bekijk ik Twitter op het testexemplaar van een tablet. Dan gebeurt het opnieuw. Ik zie mezelf: in de Albert Heijn, nog geen drie uur eerder. Shit. Het korrelige bewakingsbeeld slaat me uit het lood. Een golf van paniek overspoelt me, en ik been de winkel uit. Ik voel me bekeken. Iedereen die langer dan een paar seconden oogcontact maakt, jaagt me de stuipen op het lijf. Elke social-mediagebruiker is potentieel een camera met gezichtsherkenning.

Maandag, 14.00 uur

Even in een park gaan zitten. Op adem komen. Mijn niet-essentiële spullen hevel ik over in een AH-tas, die ik in mijn hand houd. Kan ik laten vallen als ik me uit de voeten moet maken. Waar ga ik overnachten? Dat blijkt een probleem. Zonder ID mag geen hotel je aannemen. Ik probeer ze allemaal in Sittard. Ik weet een lift te regelen naar een truckershotel bij Nieuwstad waar ze „niet zo moeilijk” zouden doen. Maar ook daar: nul op het rekest. Misschien campings? Bij de VVV heb ik een folder gehaald, met mijn vinger ga ik ze allemaal af. ’s Winters dicht, op één na: de Hitjesvijver, in Heerlen. Bij een autodealer mag ik bellen („Telefoon uitgevallen”).

– „De Hitjesvijver, goedemiddag.”

„Goedendag. Ik wil graag een overnachting boeken voor vanavond. Heeft u ook vaste plekken?”

– „Even kijken. Nou... Tja, we hebben een trekkershut. Gaat wel koud worden dan.”

„Geen probleem.”

– „Uw naam?”

„Vincent Bol.” Mijn buurjongen van vroeger heette Vincent. Altijd een mooie naam gevonden.

– „Tot straks, meneer Bol.”

18.00 uur

Ik doe er drie uur over. Lopen naar het station, trein (niet inchecken!), bus (contant!). Het begint snel af te koelen. Buiten slapen is geen optie; als dit mislukt zal ik van deur tot deur moeten gaan en om onderdak smeken. Ik tref een charmante vrouw achter de balie. Ik heb flink wat uit te leggen: Vincent Bol. Kunststudent. Bezig met een project en daardoor geen ID. Sorry, kan pas morgenochtend betalen. Mijn camera bied ik aan als onderpand. Ze gaat akkoord.

22.00 uur

Het is een blokhut op palen. Er is geen beddengoed of water, het gaskacheltje geeft nauwelijks warmte af, maar dat maakt allemaal niet uit – ik voel me veilig. En ik mag mijn magnetronmaaltijd opwarmen. Man, wat ben ik moe. Ik slaap, onrustig, onder mijn jas en twee truien.

Dinsdag, 10.00 uur

Ik schrik wakker. Hoe laat is het? Geen telefoon... Stemmen! Ik kijk uit het raam: politieagenten, een stuk of zeven. Die komen voor mij, denk ik een paar slaapdronken seconden. Onzin. Ze zoeken wél iemand, blijkt later: een voortvluchtige die in de buurt is gesignaleerd. Ik moet de overnachting betalen, 45 euro pinnen. „Hoe kom ik in Maastricht?”, vraagt ik nog, vlak voordat ik de deur uitstap.

11.00 uur

De camping is vast gebeld; ze hebben hopelijk te horen gekregen dat ik naar Maastricht ga. Ben ik niet van plan. Ik zit in de trein naar Eindhoven (ingecheckt), op weg naar Arnhem. In Heerlen heb ik mijn laatste 20 euro opgenomen. Ze wisten toch waar ik was. Delen ze dat ook? Op Sittard, een overstapstation voor Maastricht, kan ik me niet langer bedwingen: ik zet mijn telefoon aan. Sms’jes, voicemails – ik negeer alles. Het gaat om Twitter: wat weten ze? Ik schrik van de hoeveelheid tweets. Snel zoek ik nog het nummer van de NS-klantenservice o op. Als de trein begint te rijden, zet ik mijn telefoon uit.

Dinsdag, 12.00 uur

Ik ben niet op mijn gemak. Wat als ze me doorhebben? Veel treinen reizen er niet noordwaarts vanaf Sittard. Straks staan ze me nog op te wachten! In een opwelling stap ik uit in Roermond. Irrationeel, maar goed. De stoptrein naar Nijmegen komt voorbij. Doen! Mijn capuchon trek ik strak over mijn hoofd.

Ik geloof niet dat ik ben herkend in de trein. Het is gekmakend dat ik nooit zeker kan weten wat mensen achter mijn rug om naar de redactie mailen of op Twitter zetten.

In Nijmegen leen ik iemands telefoon („Die batterij, hè?”): ik bel de NS-klantenservice. „Vergeten uit te checken. Ik reisde van Heerlen naar Maastricht. Zou u dat voor mij kunnen doen?” Ik geef mijn kaartnummer. „Bedankt.”

13.00 uur

In een boekwinkel sla ik een nrc.next open. ‘Thomas heeft waarschijnlijk een anonieme ov-kaart gekocht’. Hè? Dit betekent, vermoed ik, dat mijn ov-gegevens pas met vertraging inzichtelijk worden. Of ze proberen me erin te luizen.

De V&D is mijn vriend. Ik kan er naar de wc. Op een testlaptop stuur ik een mail naar mijn vriendin. Ik log in op haar account, zodat ik haar veilig kan bereiken: dat alles goed gaat, ik nu in Nijmegen ben en later ‘officieel’ contact opneem. In een steegje haal ik de knaloranje binnenkant uit mijn jas en trek alleen die aan. Opvallende kleur, maar anders dan het beeld dat nu verspreid wordt. Als ik weet dat ik ergens word gefilmd, trek ik de buitenkant er weer overheen. Mijn capuchon verwissel ik voor een donkere muts. Ik eet mijn laatste broodje op.

15.00 uur

Opnieuw: geen hotel wil me. Bij een hostel krijg ik de eigenaar aan de lijn: ik heb geen ID, leg ik uit, niets waar mijn naam opstaat. „Mag eigenlijk niet”, zegt hij, „maar vooruit.” Fijn. „Hoe heet je eigenlijk?” Thomas. Het glipt eruit. ‘Van Loon’, plak ik er nog snel achter. Dit was niet slim.

16.00 uur

Een slaapplek heb ik, maar het is een risico. Ik heb mijn echte voornaam genoemd, ben hier al een hele dag, heb gemaild… Het voelt niet goed om lang op één plek te blijven. Nog een keer Twitter bekijken in de V&D. Ik scrol minutenlang door de berichten. De Piratenpartij doet een oproep om me te helpen. Een Belgische vrouw biedt een slaapplek aan. Ik schrik! Iemand leest mee over mijn schouder. Ik kijk om: een gezette twintiger, hij knikt lachend naar me. Even staat de tijd stil, terwijl ik razendsnel een beslissing neem: weg. Geen tijd om sporen te wissen. ‘#zoekthomas’ staat nog steeds in beeld als ik de V&D uit been. Nijmegen is te gevaarlijk geworden. Herkende hij me nou?

17.30 uur

Ik neem de bus naar Arnhem, check wel in – mijn contanten ga ik nog hard nodig hebben. Bij de VVV in Arnhem haal ik een kaart. Er is een jeugdherberg buiten het centrum; daar heb ik de meeste kans. Het is wel een flink eind lopen.

18.30 uur

„Ruben de Graaf”, hoor ik mezelf zeggen tegen de receptionist. „Met één ‘f’.” Zal haar worst wezen. Geen ID is geen probleem, zegt ze, niet hier. Ik heb genoeg contant voor een bed op een groepskamer: 20 euro. Er is nog niemand anders voor die kamer. Hopelijk blijft dat zo.

Met de vaste lijn van het hotel bel ik mijn vriendin. #31# toetst ik in: anoniem bellen. Het is een kort gesprek, ik ben schichtig. Wil niet dat iemand iets opvangt. „Laura belde nog”, zegt ze. Wat? „Ik heb gezegd dat je had gemaild.” Natuurlijk, en terecht! Ik die dacht even buiten de spelregels om te mailen... Ze weten dus dat ik in Nijmegen was.

Ik besluit op mijn kamer te blijven, die heeft uitzicht op de oprit. De gordijnen sluit ik tot een kier. Ik eet de pastasalade en ga mijn stappen na. Arnhem is zó dichtbij... Dan vinden ze me hier toch? Een paar telefoontjes: ‘Heeft iemand ingecheckt zonder ID?’ En nu heb ik gebeld. Wat als ze haar telefoon gehackt hebben? Werkt #31# überhaupt?

00.00 uur

Ik kan niet slapen. Ik had niet moeten bellen. Ik had niet moeten bellen. Ik had niet moeten bellen.

Woensdag,

ergens tussen 01.00 en 05.00 uur

Een auto. Ik hoorde ’m echt. Ik ben, blijkbaar, mijn broek ingeschoten en sta bij het raam. Door de gordijnkier tuur ik de donkerte in, er is niets te zien. Volgens mij slaap ik nog half. Als ik weer ga liggen bonst mijn hart in mijn keel.

08.30 uur

Eenmaal wakker ben ik meer op mijn gemak. Dat de paranoia mij in de greep zou krijgen, had ik niet zien aankomen. Drie van de meest meest centrale activiteiten van het dagelijks leven kan ik niet langer ongemerkt uitvoeren: betalen, reizen en communiceren. Over elke stap moet ik drie keer nadenken. Informatie vergaren is een risico geworden. En ik heb niemand om mee te praten, om mee te relativeren. Dat eist zijn tol – blijkbaar.

9.00 uur

Ik blijf niet dralen. Door het bos bereik ik het centrum. Ik durf niet naar het station: als ze denken dat ik hier ben, word ik daar vast en zeker opgewacht. De eerste bus die voorbijkomt, neem ik: Barneveld.

11.00 uur

Ik eet de sandwich. In de bibliotheek lees ik de next: camerabeelden van de Hitjesvijver. Hoe kómen ze hier toch aan?

Ik moet verder, maar hoe? Ik ben bijna door mijn contanten heen, mijn ov-kaart is leeg. Zwart reizen is geen optie. Ik heb eens horen zeggen dat niemand zich beter aan de regels houdt dan illegalen. Nu begrijp ik waarom: één keer betrapt worden en je moet je identificeren (of naar de spoorwegpolitie): game over. Bij het station laad ik mijn kaart op, check in en pak de trein richting Amersfoort. Om in Amsterdam te komen moet je haast wel zo... Dus stap ik één stop verder uit: Barneveld Noord. Ik check niet uit. Vanaf daar neem ik de bus naar Harderwijk met mijn laatste contanten. Liever ga ik over Flevoland, dat zullen ze niet verwachten. De Randstad boezemt me angst in, het boze oog in het midden van Nederland: mensen, studenten, krantenlezers.

15.00 uur

Weer een fout gemaakt. Ik ben ingecheckt in Barneveld, maar dat station is van een ander ov-bedrijf dan de NS. Voor de trein moet ik dus opnieuw inchecken, maar daar heb ik niet genoeg geld voor: ik moet opladen óf een kaartje pinnen. Weer word ik gedwongen om sporen achter te laten.

Hoe reis ik over Flevoland, maar laat ik ze denken dat ik anders ga? Ik probeer reiscombinaties uit. Een kaartje Harderwijk-Amsterdam kost 11,50 euro; welk kaartje vanaf Lelystad is precies dat bedrag? Lelystad-Hoofddorp. Die koop ik dus. En neem de bus naar Lelystad. Daar de sprinter naar Almere. Maar ik wil niet met de trein Amsterdam in; twee stations, daar pakken ze me zo. Liever de bus richting Amsterdam-Oost. Bussen zijn fijn, alle gezichten staan dezelfde kant op: als je achterin zit, kijkt niemand je aan.

16.45 uur

Terug in Amsterdam. Gevaarlijk terrein. Overal bekenden, een hoge concentratie lezers. Die tram ga ik echt niet in. Wat dan? Ik zet het op een lopen.

17.15 uur

Hoe centraler je komt, hoe drukker het wordt. Capuchon op, hoofd naar de grond. Als een stormram ren ik door de mensenmassa’s. Ik vermijd de drukste straten, blijf aan de donkerste kant van de weg. Ik bereik het gebouw. Met mijn pasje open ik de deur van de autogarage; dit wordt geregistreerd denk ik nog, maar dat maakt niet meer uit. Totaal bezweet bereik ik de kelder, één verdieping hoger is de NRC-kerstborrel aan de gang. Ik heb het gehaald. Ik zet mijn telefoon aan.

    • Thomas Rueb