Geen dode beesten, doe mij maar lekker kweekvlees

Kweekvleesburger? Ja hoor, geen probleem, schrijft Michiel Jansen-Dings.

Hoewel de ingrijpende bevolkingsgroei van de afgelopen eeuw in veel werelddelen tegen zijn ‘natuurlijke’ grenzen aan begint te lopen, verwachten de Verenigde Naties dat de wereldbevolking tussen nu en 2050 van 7,2 miljard tot rond 9 miljard mensen zal zijn toegenomen. Het leeuwendeel zal voor rekening komen van het relatief arme Afrika. Al deze mensen zullen op de een of andere manier gevoed worden. Met de huidige productiemethoden lijkt dat helaas geen haalbare kaart.

En dan hebben we het nog niet eens over bestaande consumptiepatronen. In het Westen, waar het eten van vlees na de Tweede Wereldoorlog steeds minder een luxe en meer een gewoonte geworden is, is de gemiddelde vleesconsumptie per hoofd van de bevolking de laatste jaren iets afgenomen (maar ligt nog altijd hoog). In landen met opkomende economieën zoals China, India en Brazilië – die niet toevallig een groot aantal inwoners kennen – zien we juist dat er steeds meer behoefte is aan vleesproducten.

De vraag naar vlees zal de komende jaren alleen maar toenemen, terwijl veehouderijen wereldwijd de vraag nu al nauwelijks meer aankunnen. Verdere groei van de veestapel zal direct en op termijn ten koste gaan van dierenwelzijn en milieu – thema’s die gelukkig steeds meer mensen ter harte gaan. Het is dan ook de hoogste tijd dat er gezocht wordt naar concrete oplossingen voor dit probleem, en dat er draagvlak voor gecreëerd wordt in de maatschappij. Het brede scala aan middelen dat wordt ingezet, spreekt tot de verbeelding en stemt hoopvol. Want waar mensen aangezet worden tot nadenken, kunnen mooie dingen ontstaan. En waar uitzonderlijke initiatieven ontplooid worden, raken zowel investeerders als het grote publiek geïnteresseerd.

Mark Post, hoogleraar kunstmatige fysiologie aan de Universiteit van Maastricht, leek zich daar bij de presentatie van de eerste kweekvleesburger in augustus als geen ander van bewust. Hij maakte er in Londen een – door Google-oprichter Sergey Brin gefinancierde – media-event van, door de lancering van de kweekvleesburger als kookprogramma te brengen.

Daarmee stond kweekvlees in één keer op de kaart en leek het de potentie te hebben een revolutie in de voedselproductie te ontketenen. Iets wat geen ander alternatief tot dan toe had weten te bewerkstelligen. Vleesvervangers, hoe smakelijk sommige inmiddels ook zijn, lijken maar niet van hun imago van nepvlees af te kunnen komen. Ook de methode die bekendstaat als nose to tail – waarbij in principe elk deel van het geslachte dier voor consumptie geschikt wordt gemaakt – mag zich vooralsnog niet op een bijzonder grote populariteit verheugen.

Kweekvlees heeft beide tekortkomingen niet. Het vlees van de door Post gepresenteerde hamburger was zonder twijfel echt. Daarnaast was de samenstelling ervan vrijwel identiek aan het vlees dat we over het algemeen als lekker beschouwen (negentig procent spier-, drie procent vet- en zeven procent weefselcellen). Producten waar hersenen, hart, huid, snuit, oor en ander restvlees in verwerkt zijn, worden – hoezeer voorstanders van head to tail ons er ook van proberen te overtuigen dat het een kwestie van wennen is – door veel mensen als onsmakelijk ervaren.

Maar ook de voorstanders van kweekvlees stuiten soms op felle tegenstand. Die van de Partij voor de Dieren – die met de voordelen van kweekvlees op haar wenken bediend lijkt te worden – is daarvan misschien wel de opmerkelijkste. Zo stelt frontvrouw Marianne Thieme dat het in alle gevallen beter is vegetariër te zijn. Daarmee lijken absolutistische overtuigingen zwaarder te wegen dan de zaken waar de PvdD zich doorgaans zo graag op voor laat staan.

Immers, volgens de laatste wetenschappelijke inzichten zal de productie van kweekvlees uiteindelijk tot negentig procent minder CO2-uitstoot en een energiebesparing van 55 procent leiden. Minstens zo belangrijk is dat er geen dieren meer gedood hoeven te worden, of onnodig hoeven te lijden. Als kweekvlees op verantwoorde wijze wordt doorontwikkeld, is het mogelijk dat we er ons in 2050 rond de feesttafels tegoed aan zullen doen.

    • Michiel Jansen-Dings