Gebruik je hersenen, die zijn NSA-proof

Privacy is verworden tot een containerbegrip waarmee we al onze vaagomlijnde wrokgevoelens een naam geven. Het woord is munitie voor moraalridders, vindt Francisca Wals.

Tijd: 15.09. Locatie: Vendelstraat 8, Amsterdam. Setting: werkgroepbijeenkomst ‘Privacy’, vakcode 187411012Y, Universiteit van Amsterdam. Aanwezig: dertien masterstudenten, elf Nederlands, twee Brits. Onderwerp: cameratoezicht in openbare ruimtes – oké of niet?

We gebruiken grote woorden. Autonomie, zelfbeschikking, onschendbare rechten. Foucault komt ter sprake – de surveillancestaat staat gelijk aan disciplinaire macht, vond hij. Dan komt Sartre, die dikke boeken schreef over hoe mensen hun existentiële vrijheid verliezen door de ‘blik van de Ander’. Teneur: kommer en kwel die camera’s. Privacyschending.

„Ik wil jullie iets vragen”, zegt een jongen. „Op de fiets hiernaartoe, hebben jullie je enig moment gedomineerd, ernstig beperkt, vernederd of anderszins geschaad gevoeld in je autonomie?” Het blijft stil. „Toch gek, want er hangen óveral camera’s in de stad.”

Privacy, trending topic van 2013. De media hadden er hun handen vol aan de afgelopen maanden. Journalisten deden verslag van onthullingen en schandalen, schrijvers publiceerden literaire privacy-dystopieën, Jan en Alleman schreef opiniestukken met geweeklaag in alle toonaarden. Ondertussen ging ons vocabulaire er flink op vooruit. Malware, NSA, datamining en darknets – experts gaven uitleg op tv, kranten drukten verklarende ‘woordenboekjes’ af. Maar één term bleef in nevelen gehuld: privacy.

Want zoals dat gaat met modewoorden, weten we vaak niet eens wat we er écht mee bedoelen. Lekker makkelijk, al onze vaag omlijnde wrokgevoelens hebben ineens een naam. Big data, NSA-schandalen, zorgen over sociale media, AIVD-taps en mensen in je personal space; alles wordt toegedekt en dicht gesmoord met dat ene containerbegrip: privacy.

Zelfs filosofen bekvechten al decennia over de definitie van dit woord. Term met inhoud of verzamelnaam; controlemechanisme of beschermende zone; fysiek, psychologisch, biologisch, sociaal, achterhaald of van levensbelang. Er zijn boeken over volgeschreven, consensus is er nog steeds niet. Laat staan dat we een helder beeld hebben van waar het over gaat.

Privacy was voor de elite

Privacy is eeuwenlang iets voor de elite geweest die zich de luxe van afzondering kon permitteren. Rijke Romeinen hadden door wijnranken beschutte patio’s, welvarende Grieken villa’s aan de Egeïsche kust. Het plebs leefde intussen hutjemutje op de boerderij of in de stad. Privacy was een privilege, geen recht.

Tot 1890. De roddelpers stond in de kinderschoenen en de jonge aristocraat Samuel Warren uit Boston was de bemoeienis zat. Toen The Sunday Evening Gazette gênante details over de bruiloft van Warrens dochter publiceerde, was het tijd voor actie.

Warren klopte aan bij een bevriende jurist, Louis Brandeis, en samen schreven ze een pleidooi. De aristocratie had omwille van haar mentale gezondheid het recht om met rust gelaten te worden, claimden de heren. Tot dan toe was bescherming van de privésfeer alleen mogelijk geweest op basis van ontering, vertrouwensbreuk of eigendomsrecht. Maar dit ging toch echt om iets anders, iets fundamentelers: het recht op privacy.

In de dertig jaar die volgden was de vraag of dit ‘recht’ überhaupt wel bestond. In 1902 werd een pikante foto van een jonge New Yorkse gebruikt voor een meelreclame, zonder haar toestemming. Privacyschending, vond zij. Onzin, vond het hof. De aangerichte schade was puur psychologisch en dit zogenoemde privacyrecht kon alleen maar leiden tot inperking van persvrijheid. Publieke woede volgde, steeds meer rechters gingen overstag – privacy nestelde zich in het juridisch en publiek discours.

Nu we anno 2013 qua bruto nationaal product allemaal tot elite zijn verheven, staan ook wij onder het mom van privacy op onze strepen. Niet de roddelpers is ons probleem, véél erger: onze data worden verzameld. En niet alleen van upperclass celebrities: nee, van ons allemaal.

Een veilig idee, die spionage

In 2005 ontploften er twee bommen in de Londense metro. Mijn moeder – journalist – moest erheen om verslag te doen en ik nam mijn broertje mee naar de bioscoop: War of the Worlds zagen we. De ironie ontging me.

’s Avonds belde ze. We hoefden ons geen zorgen te maken. De geheime dienst hield alles in de gaten; iedere voetstap van wie dan ook werd nagedaan – zo konden ze terroristen opsporen. Ik vond dat wel een fijn idee, veilig: voorkomen is beter dan genezen.

Jarenlang had ik het idee dat iedereen er wel zo’n beetje zo over dacht. Dat ‘ze’ de boel wel in de gaten hielden – en dat dat maar goed was ook. Bij schietpartijen in winkelcentra of spijkerbommen bij hardloopwedstrijden kwam dan onvermijdelijk de vraag: hoe hadden ‘ze’ dit nou niet zien aankomen? Ze hadden ‘die gek’ verdomme beter in het vizier moeten houden!

Maar om die ene gek te kunnen vinden, blijkt nu iedereen te worden bespied.

‘Dit is einde van de democratische samenleving’, las ik in de krant. Aangetaste normen en waarden, autonomie en integriteit: het is dezelfde retoriek waarmee het einde van de civilisatie door de opkomst van Facebook en Twitter werd aangekondigd. Alleen waren we het daar zélf die onze privacy te grabbel gooiden.

Toch opvallend dat zo weinig mensen werkelijk last lijken te hebben van al dat minen, liken en tapen. Ook buiten mijn privacyklasje ben ik nog niemand tegenkomen die handelings- of wilsonbekwaam claimt te zijn geworden. „De NSA laat me koud”, hoorde ik een Amsterdamse D66’er laatst zeggen. Hij was niet dom en hij had heus de krant gelezen – hij kon zich gewoon niet voorstellen dat het mensen werkelijk iets kon schelen wat anonieme Amerikanen met hun glasvezelkabel deden.

Privacy kan pijn doen

In mijn derde jaar op de universiteit had ik iedere woensdag college micro-economie. En iedere woensdag stond ik met een groepje jongens na te kletsen. Ik zat al een tijdje bij ze in de klas, maar verder kende ik ze niet zo goed.

Eén jongen kende ik ook via-via, we hadden een gemeenschappelijke vriendin. Hij ging een halfjaar naar Zweden, vertelde hij op een dag. Om te studeren. En voor de vrouwen. Dat laatste zei hij met een knipoog. „Wat is er toch zo bijzonder aan Zweedse vrouwen?” vroeg een ander. „Kun je beter aan haar vragen”, zei de jongen die ik via-via kende. Met ‘haar’ bedoelde hij mij. Vragende blikken.

„Ja, zij heeft een vriendin, ze valt op vrouwen.”

Als bij toverslag had ik de volle aandacht. Alles wilden ze weten. Hoe oud was ik toen ik het wist? Hoeveel relaties had ik gehad? Waar viel ik dan op? Ineens was ik ‘one of the guys’, het ene na het andere stereotype werd op me geplakt.

En toen voelde ik het: mijn privacy deed pijn.

Privacy is heus geen lege term, wil ik maar zeggen. En een gebrek eraan kan heel vervelend uitpakken – ook ik heb Das Leben der Anderen gezien. Zelden bestaat een woord zonder enkele betekenis noch reden. Maar met de achteloze pavlovreactie waarmee we het nu hanteren wordt privacy munitie voor moraalridders, voer voor de verongelijkten. Van conservatieve veranderingsfobie tot regelrechte paranoia: alles is geoorloofd onder de vlag van dit recht.

Privacy als platitude – mét kern van waarheid. En voor wie díe wil destilleren, een goede raad: negeer de kakofonie van de communis opinio. ‘Mensch, durf wijs te zijn’, schreef Kant in de hoogtijdagen van de Verlichting. Een beetje intellectuele zelfbevrijding is ook anno 2013 geen slecht idee.

Want met dode dogma’s komen we niet ver. Gebruik die hersenen – NSA-proof, gegarandeerd.