Fietsen is in Duitsland ook levensgevaarlijk

De politieman heeft een soul patch, een streepje grijs haar onder zijn onderlip. Toch lijkt hij helemaal niet op een jazzmuzikant of zo. Dat komt ook door de dingen die hij zegt. Zoals: „Identiteitsbewijs!” En als ik hem mijn rijbewijs geef: „Aah, Nederlander, zeker met de caravan gekomen.”

Maar ik ben allang blij dat ik hem gevonden heb. Of althans het politiebureau. Dat is uiteindelijk ook niet te missen. Het is een ongenaakbaar en omvangrijk gebouw, maar het staat verstopt midden in een buurt en niet aan een of andere uitgestrekte Allee.

„Framenummer!”, blaft de wachtcommandant. Ik had gezegd dat ik niet met de caravan was gekomen, maar met de fiets. Ook erg Nederlands. En dat die fiets nu was gestolen.

Mijn fietsenmaker had deelnemend naar mijn verzekeringsbewijs gekeken. Ik werd nog een beetje in beslag genomen door dat licht verongelijkte gevoel van gemis dat ik altijd heb als een fiets is gejat. Het is een ding, maar je krijgt toch een soort band door wat je samen meemaakt. Een keer hadden ze zijn voorwiel krom geschopt. Twee keer zijn we samen over de kop geslagen, omdat zijn voorrem zo nerveus was afgesteld. En nu was hij er niet meer. „Ik heb een politieaangifte nodig voor de verzekering”, had mijn fietsenmaker gezegd. Ja, stom. Dat had ik zelf kunnen bedenken. Gewoon via internet gaat het snelste, had de fietsenmaker me nog achterna geroepen.

En toen was weer gebleken hoe lang het eigenlijk duurt voor je echt ergens goed thuis bent. De politie is online wel te vinden. Op haar website meldt ze hoe goed ze „door kennis van zaken en Fingerspitzengefühl” de problemen in de wijk de baas kan. Bescheidenheid is een schaars goed in Duitsland. Er staan ook foto’s op de politiesite van de supergezellige verhoorkamers met schemerlampen en planten en hip beschilderde muren waar slachtoffers en getuigen „in aangename sfeer een aangifte kunnen doen”. Maar een digitaal loket voor aangiften was onvindbaar. Het voordeel is dat ik nu wel weet waar het dichtstbijzijnde politiebureau is.

De kamer waar de soul patch mijn aangifte opneemt, is een bruin hok met lamellen. Inmiddels heeft hij me een formulier gegeven om in te vullen terwijl hij dingen intikt op de computer. Ik stel hem vragen en hij mij. We vormen een team: gewoon twee smerissen samen aan het werk op het Präsidium, het politiebureau. Derrick kan ieder moment de kamer inkomen.

Eerder op de gang, waar ik moest wachten nadat ik me had gemeld, bekeek ik een poster die daar hing. Het was de verkeersslachtofferbalans van 2010. Elke acht dagen een verkeersdode, elke vier minuten een verkeersongeluk, om de 35 minuten een slachtoffer en om de twee uur is dat een fietser. Veel vaker dan andere kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals voetgangers (om de vier uur), bejaarden (om de acht uur) en kinderen (om de twaalf uur). Het zal in 2014 wel niet veel beter worden.

Toen ik vorig jaar mijn fiets kocht had mijn fietsenmaker gevraagd of ik niet ook een helm wilde. „Van alle ledematen heb je er twee, maar je hebt slechts één hoofd.” Toen was ik niet overtuigd, maar die statistiek heeft me aan het twijfelen gebracht.

De politieman rondt het zaakje af: ik krijg de aangifte, mijn rijbewijs en de verzekeringpapieren retour. „Ik heb een tip”, zegt hij. „Als je nu een nieuwe fiets koopt. Ga naar de bouwmarkt en koop een ketting van gehard staal. En zo’n slot.” Hij tekent een rond hangslot. „Dat krijgen ze moeilijk open. Prettige feestdagen.” Hij geeft een hand.