Breaking Bad 3-5

Breaking Bad schaarde zich dit jaar onder de grootste televisieseries aller tijden met een zinderende apotheose. Vijf jaar lang, van de briljante pilot tot de geniale finale, hield de opkomst en ondergang van Walter White kijkers in de ban. De sukkelige scheikundeleraar met longkanker was een man die zijn door hem aanbeden vrouw en zoon na zijn dood welvarend wilde achterlaten. Hij werd een meedogenloze drugskok, die over lijken ging om zijn missie te beschermen.

De dynamiek van de serie kwam uit de duistere drugswereld, met sinistere bazen en hun concurrenten. Maar de harde, criminele kant van het verhaal kreeg tegenwicht door de huiselijkheid van zijn familieleven, met zwager en agent Hank tegelijk als maat en als tegenstrever.

In essentie was Breaking Bad een diepe duik in de menselijke psyche. Walts heimelijke wrok, zijn gekwetste trots en opgezwollen ego, zijn toenemende ambitie en ontvlammende amoraliteit tekenden een angstaanjagend portret van een man in verwarring. Nooit was hij de situatie meester, geen moment was hij de maffiabaas die hij droomde te zijn. Alles ontglipte hem voortdurend en dat maakte hem, in al zijn afschrikwekkende misdadigheid, tot een onbeholpen mens die tot zijn laatste snik boeiend bleef.

Behalve magistraal geschreven en geacteerd, wast Breaking Bad ook nog eens van grote cinematografische schoonheid, met naar Sergio Leone hintende lege woestijnen en visuele vondsten die televisiegeschiedenis schreven (zoals maffiabaas Gus die na de bomaanslag op zijn leven schijnbaar heelhuids naar buiten wankelt – pas in tweede instantie is zichtbaar dat de andere kant van zijn gezicht is weggeblazen). En er was bij alle spanning ook comic relief, met de louche advocaat Saul – die een eigen serie krijgt – en de junkie-boefjes Badger en Skinny Pete. In de finale kon Walt bluffen dat hij twee scherpschutters had ingehuurd, omdat zij van buitenaf met twee laserpennen rode puntjes op de slachtoffers veroorzaakten – het was Breaking Bad ten voeten uit.