Uitwassen van een verhitte sportcultuur

Niet de sportieve prestaties vielen in het afgelopen jaar op in Amerika, maar de excessen. Geld en prestatiedruk hebben geleid tot buitensporigheden.

De sportcultuur in de Verenigde Staten is chronisch overspannen. De kampioenen van het afgelopen sportjaar in de ‘grote drie’ football (Baltimore Ravens), honkbal (Boston Red Sox)en basketbal (Miami Heat) behoren tot de erkende grootmachten. Maar de blikvangers van 2013 vielen niet op vanwege hun prestaties, maar door hun uitspattingen daarbuiten.

In die categorie is honkbalvedette Alex Rodriguez zonder twijfel sportman van het jaar. A-Rod werd dit jaar door de Amerikaanse honkbalbond 211 wedstrijden geschorst vanwege gebruik van verboden middelen. Hij was permanent in het nieuws, maar nooit vanwege zijn prestaties op het veld. Hij ging tegen zijn straf in beroep, spande rechtszaken aan tegen de bond, voorzitter Bud Selig en de teamarts van zijn club, de New York Yankees. Hij beschuldigde de staf van de club van samenzwering. Begin volgend jaar doet een onafhankelijke bemiddelaar uitspraak.

Ook in de andere grote Amerikaanse sporten ging het vooral over randzaken. Basketbaltrainer Mike Rice en de footballspelers Richie Incognito en Johnny Manziel vielen meer op door hun daden rondom hun wedstrijden dan tijdens hun duels.

Mike Rice was coach van het studententeam van Rutgers University. In april dook een filmpje op waaruit bleek dat Rice zijn spelers motiveerde door basketballen in hun gezicht te gooien of tegen hun lichaam te schoppen, hen ruw bij hun shirt te pakken en grof uit te schelden. De beelden, een compilatie van zijn trainingen, verspreidden zich via internet en werden opgepikt door de sportzenders. Amerika reageerde geschokt; hier werd de grens tussen motivatie en mishandeling overschreden.

Rice liet zich inspireren door de trainingsmethoden van de Navy Seals, een militaire elite-eenheid. Zijn motto: comfortable in chaos. Uitwerking: sport is oorlog. Zijn spelers kregen dat ingepeperd tijdens helse trainingen. Rice werd ontslagen, maar ongemakkelijke vragen bleven. Hij was bezig aan zijn derde seizoen bij Rutgers. Waarom had niemand eerder aan de bel getrokken? Het sportmanagement van de universiteit keek blijkbaar de andere kant op, de spelers lieten zich intimideren.

Richie Incognito, footballspeler voor de Miami Dolphins, werd in november geschorst op beschuldiging van fysieke intimidatie en verbale vernedering van een medespeler, Jonathan Martin. Martin, zoon van hoogopgeleide ouders, was een makkelijk doelwit. Een denker, omringd door krijgers. Hij heeft de Dolphins verlaten en komt niet meer aan de bak.

Of dat ook voor Incognito geldt, is zeer de vraag. In een interview zei hij Martin te hebben willen motiveren. Enkele medespelers van de Dolphins hebben hem gesteund. In een sport met een hoog gettogehalte is motivatie blijkbaar een vloeibaar begrip. De zaak is in handen van de voorzitter van de Amerikaanse footballbond NFL, Roger Goodell. Die zal zich er waarschijnlijk pas na de Super Bowl, de finale van het professionele footballseizoen, over uitspreken. In afwachting daarvan kondigde de NFL vorige week maatregelen aan om de ‘kleedkamercultuur’ te veranderen.

Incognito is in deze cultuur komen bovendrijven. Hij is een vechter, op het veld, tijdens trainingen, met tegenstanders en vooral ook met medespelers. Eerder werd hij naar een kliniek gestuurd voor studenten met gedragsproblemen. En door collega’s benoemd tot smerigste speler van de NFL. Hij was onhandelbaar voor trainers, ongeliefd bij medespelers. Nergens werd hij lang getolereerd, maar er stond altijd wel weer een nieuwe club klaar om hem in te lijven. Sinds 2010 speelt hij voor de Dolphins, waar hij tot 2014 onder contract staat, voor 13 miljoen dollar exclusief tekenbonus van ruim drie miljoen dollar. Hij had zijn leven naar eigen zeggen op orde, deed aan yoga, meditatie, slikte kalmerende middelen. Een nieuwe Incognito? De berichten die hij Martin stuurde, zouden grensverleggend zijn in hun agressie. De clubleiding van de Dolphins houdt Incognito tot nader order aan de kant.

Johnny Manziel speelt als student bij Texas A&M. Sportminnend Amerika kent hem bij zijn bijnaam: Johnny Football. In 2012, zijn eerste jaar als quarterback, won hij zo’n beetje alle trofeeën die je als student kunt winnen. Een onweerstaanbare combinatie van ongepolijst talent, spelvreugde en persoonlijkheid maakte hem tot de populairste college football-speler van het land. Een authentieke sportheld, tot deze zomer bleek dat Manziel zich misschien had laten betalen voor het zetten van handtekeningen. Dat mag niet: studenten zijn amateurs. De NCAA, de Amerikaanse sportorganisatie voor universiteiten, kwam in actie. Manziel werd voor een halve wedstrijd geschorst en werd daarmee, ondanks opnieuw een fantastisch seizoen, het symbool voor uitbuiting.

Universiteitsfootball in Amerika is zowel razend populair als een commercieel gedrocht. Aan de ene kant houdt de NCAA krampachtig vast aan de amateurstatus van spelers, aan de andere kant is college football een miljardenonderneming. Stadions van grote sportuniversiteiten zijn decadente sportpaleizen. De verkoop van uitzendrechten is een industrie op zich. Televisiestations tasten royaal in de buidel voor de wedstrijdbeelden. In ruil daarvoor bepalen zij de dag en het tijdstip waarop de footballteams in actie komen. Universiteiten die zich eraan uitleveren, ondergaan een facelift: sport is koning, het behalen van een diploma is bijzaak. Studenten wordt niet gevraagd of hun niet-sportieve verplichtingen in het gedrang komen. Wie onderweg geblesseerd raakt of ondermaats presteert (op het footballveld) wordt zonder pardon van de universiteit verwijderd. Tegen deze achtergrond doet het straffen van een speler vanwege het zetten van handtekeningen surrealistisch aan.

Worden studenten vanaf volgend seizoen betaald? De NCAA wil er niet aan. Vorige week liet de organisatie (opnieuw) weten dat aan de amateurstatus van spelers niet zal worden getornd.