Smerig hard op laaglandijs

Een slagveld om de olympische plekken op alle afstanden. Een regen van records. Nederland is bij het langebaanschaatsen in Sotsji nog meer favoriet dan voorheen.

Mark Tuitert werd derde op de 1.000 meter en is vandaag afhankelijk van het resultaat op de 1.500 meter of hij ook naar Sotsji mag. Foto Robin Utrecht

Iets meer dan een maand voor de Olympische Winterspelen van Sotsji. Als de stofwolken beginnen op te trekken boven Thialf wordt duidelijk dat de Nederlandse schaatstop, onder de druk van een moordende binnenlandse concurrentiestrijd, op weg is naar een nieuwe standaard in het langebaanschaatsen. „Er wordt hier smerig hard gereden”, sprak coach Jac Orie. „Ik denk dat ze in het buitenland verbaasd opkijken van het zeer hoge niveau”, zei Ireen Wüst.

Alsof Thialf tijdelijk naar de Rocky Mountains is verplaatst – zo snel zijn de tijden die worden gereden op het olympisch kwalificatietoernooi. Sneller dan de Canadese en Amerikaanse concurrentie doet op hun hooggelegen racebanen in Calgary en Salt Lake City: de gebroeders Mulder en Jan Smeekens op de sprint; Sven Kramer, Jorrit Bergsma en Bob de Jong op de lange afstanden; Ireen Wüst, Marrit Leenstra en Lotte van Beek op de middenafstanden.

De regen van baanrecords, persoonlijke records en wereldrecords op laaglandijs in de kwalificatieweek maakt van Nederland, meer dan vier jaar geleden in Vancouver, de topfavoriet voor het langebaantoernooi in Sotsji. Vooral in de breedte is de nationale schaatstop sterker geworden. Een direct gevolg van de verregaande specialisering van de commerciële ploegen, zegt coach Jac Orie, die zich met zijn rijders al jaren toelegt op de kortere afstanden. „Die specialisering waait over alle ploegen uit. Daardoor heb je ook zo’n verschrikkelijk gevecht om die olympische plaatsen. Maar ik denk dat we pas aan het begin van die ontwikkeling staan. Er zit nog heel veel rek in het schaatsen.”

Vrouwenploegen

Tweevoudig olympisch kampioene Wüst, die gisteren een fenomenale 1.500 meter afraffelde in 1.53,31 (haar oude baanrecord van 2007 stond op 1.54,05), ziet ook het vrouwenschaatsen profiteren van die specialisatie. „Vier jaar geleden zijn er vrouwenploegen gekomen in Nederland. Daardoor hebben er meer vrouwen onderdak gevonden bij een ploeg. Dat betekent automatisch dat het niveau hoger wordt.”

Volgens Wüst, in grote vorm onderweg naar haar derde Spelen, wordt de piek niet veroorzaakt doordat ‘Sotsji’ in het vizier ligt. „Het is structureel. En het is goed voor de sport”, zegt Wüst, die in Nederland wordt opgejaagd door een groep zeer talentvolle jongeren, onder wie Van Beek en Antoinette de Jong.

„Bij de ploegen zitten zo veel talenten. Je moet elke wedstrijd scherp zijn, anders lig je eraf”, zegt Jan van Veen, coach van Van Beek en Marrit Leenstra. En schaatsers die niet kiezen voor een specialisme, komen onherroepelijk in de problemen. „Omdat het niveau zo hoog is geworden op de individuele afstanden moet je wel kiezen.”

Allroundschaatsen

De specialisatiegolf heeft er wel toe geleid dat het allroundschaatsen, al decennia vooral een Nederlandse aangelegenheid, in hoog tempo afbrokkelt. Olympisch goud is belangrijker dan een tochtje in de arreslee na een allroundtitel. Kramer, regerend Europees en wereldkampioen, slaat het EK allround in Hamar over twee weken zelfs over – de Fries gaat in de voorbereiding op de Spelen liever fietsen en uitrusten op de Canarische Eilanden. Ook Jan Blokhuijsen, runner-up van het vorige EK, overweegt zich te sparen.

Als de voortekenen juist zijn, komt Nederland in Sotsji voor beduidend meer medailles in aanmerking dan in Vancouver (2010), waar in het langebaanschaatsen driemaal goud, één maal zilver en drie keer brons werd behaald. Op de lange afstanden bij de mannen is de dominantie nog groter dan voorheen. Met 12.57,58 zou Blokhuijsen zich in elk ander land hebben geplaatst voor Sotsji. In Nederland waren er drie veel sneller: Kramer, die een baanrecord (12.45,09) nodig had om uit geslagen positie nog van Bergsma (tweede) te winnen, en De Jong. Op de vijf kilometer was het vorige week niet anders. Ook daarop kan Nederland alle medailles winnen.

Op de sprint doet Nederland voor het eerst serieus mee om de medailles; op de middenafstanden is het niveau in de breedte zo hoog, dat wie zich plaatst ook in Sotsji bijna automatisch kanshebber is. Kjeld Nuis, die dit jaar wereldbekerwedstrijden won, eindigde gisteren op de 1.000 meter pas als zesde en greep naast een olympisch ticket. De vrouwen zijn met kopvrouw Wüst kansrijk op de 1.000, 1.500 en 3.000 meter. Maar ook de toptijden van Margot Boer op de 500 meter (37,64 en 37,68) bieden perspectief. En wie twijfelt aan twee keer goud op de ploegachtervolging?

Een Nederlandse dominantie op de langebaan is eigenlijk niet meer dan normaal, vindt Jeroen Otter, coach van Ter Mors en de nationale shorttrackploeg. „De tijden die in Thialf worden gereden, maken duidelijk hoe groots deze sport in Nederland is. Maar het zijn de faciliteiten die de kampioenen maken, niks anders.”

Otter durft de stelling aan dat de wereld nooit gehoord zou hebben van de Jamaicaanse sprinter Usain Bolt als die in de Verenigde Staten was geboren. „Dan had hij als quarterback bij de Chicago Bears gespeeld en had hij miljoenen verdiend”, zegt Otter. „Het is ook niet voor niets dat de twee snelste rijders op de tien kilometer, Kramer en Bergsma, binnen een paar kilometer van Thialf zijn geboren. Als Sven in Lutjebroek was geboren, hadden we nooit van hem gehoord.”

Met andere woorden: misschien wordt het ook wel tijd dat Nederland zijn schaatscultuur in Sotsji eens echt omzet in klinkende medailles.

    • Maarten Scholten
    • Rob Schoof