Hoe uniek is de som van crisis en internet?

Dezer dagen zijn crisis en ontwrichting de woorden die me het eerst te binnen schieten. In de beste traditie van J. L. Heldring (1917-2013), die zijn rubriek soms inruimde voor een bespreking van saillante krantenknipsels, kies ik vandaag voor een vergelijkbare mozaïek.

Het eerste knipsel gaat over niet op vakantie gaan. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verdeelt Nederlanders gemeten naar inkomen in vijf groepen van elk 20 procent. In 2011 ging van de groep laagste inkomens 45 procent niet eens een week op vakantie. Geen geld. Dat getal kwam via twitter (@menno_tamminga), een onmisbare bron voor het ontvangen én verzenden van informatie. Uit een grafiek in het zogeheten Armoedesignalement 2013 van het CBS en het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat het percentage nu zeker boven de vijftig moet liggen. Niet verrassend, wel schrijnend.

Crisis is verarming, maar crisis schept ook werk. „Door de grote onzekerheid is er meer vraag dan ooit naar profeten”, observeerde Werner De Bondt, hoogleraar financiële gedragskunde (behavioral finance) aan de Amerikaanse DePaul University in Het Financieele Dagblad. Zoals collega Schinkel in deze rubriek al noteerde: een optimistisch profeet die geen gelijk krijgt, stelt dubbel teleur. Hij heeft ongelijk én onze toekomst is verpest. Maar een pessimist die ongelijk krijgt, krijgt steeds het voordeel van de twijfel: hij zat er naast, gelukkig maar, daarom blijft die boze droom ons bespaard. Als u de pessimistische profeten pardoes van het tv-scherm ziet verdwijnen, is de crisis overwonnen.

Crisis is ook gewoon pech. Kop boven bericht in Het Parool: ‘Inzamelaars kleding in problemen’. Wat blijkt? We doen langer met kleren. Pech voor goede doelen die kleren inzamelen. En wat ze wel ophalen is door het langere dragen slechter. Er is ook meer diefstal van kledingzakken bij huis-aan-huisinzameling. Én meer concurrentie van Marktplaats en vlooienmarkt.

Nog eentje: parkeergarages in steden trekken minder klanten, doordat mensen vaker thuis blijven, meldt een knipsel uit de Volkskrant. We kopen minder (’t is crisis) én we kopen meer (via internet).

De som van crisis en internet is ook dit jaar ontwrichting. Complete bedrijfstakken (media, muziek, reizen, detailhandel, geldwereld) worden verkaveld, kapitalen worden verdiend – zie de beursgang van twitter. Natuurlijk zijn dit historische verschuivingen, maar generaties voor u hadden diezelfde verbazing en ondernemers soms een schuldgevoel tegenover de sectoren die zij ‘ruïneerden’.

In de necrologierubriek van The New York Times las ik – ja, inderdaad, op internet – de levensbeschrijving van Matthew Bucksbaum (1926-2013), een Amerikaanse ontwikkelaar van shopping malls, (overdekte) winkelpromenades buiten de oude stadscentra. In 1954 zou Bucksbaum met zijn twee broers een nieuwe kruidenierswinkel openen in een mall die ontwikkeld werd in Cedar Rapids, Iowa. De ontwikkelaar zat aan de grond. In plaats van die winkel begonnen de broers die mall. Een gouden greep. General Growth Properties heette hun bedrijf. In 2007 stond Bucksbaum op plaats 105 van de Forbes-lijst van rijkste Amerikanen. Goed voor 3,3 miljard dollar. Een jaar later, in de kredietcrisis, werd General Growth, beladen met schulden, weggevaagd. In afgeslankte vorm heeft het bedrijf nu nog 123 malls over.

Bucksbaum zag halverwege de 20ste eeuw wat talloze anderen niet zagen. De nieuwe, welvarender middenklasse wilde niet meer in de file wilde staan. Wilde niet meer wachten op een schaarse parkeerplek in de binnenstad. De massa wilde gemak. Winkelen met een hoofdletter W.

Soms had hij spijt gehad, vertelde Bucksbaum later in een interview. Van de aangerichte kaalslag in de binnensteden. Maar de winkeliers daar „hadden jarenlang de wind in de rug gehad. Velen hadden niet geïnvesteerd in hun winkels. Ze waren gewoon niet bij de tijd gebleven.”

Ontwrichting is zo oud als ondernemerschap en kapitalisme.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.

    • Menno Tamminga