Door al dat lenen is studeren voor rijken

Het sociale leenstelsel schrikt jongeren uit de lage inkomensgroepen af. De samenleving wordt daar ongelijker van, waarschuwt Leo Prick.

Tijdens het Tweede Kamerdebat over het sociale leenstelsel stelde Jesse Klaver (GroenLinks) dat met het huidige beurzensysteem 80 procent van het geld naar de 50 procent meest welgestelde Nederlanders gaat. Hij verweet Jasper van Dijk (SP) dat hij dit systeem wilde handhaven en niet koos voor een sociaal leenstelsel waarbij degenen die van een opleiding profiteren ook de kosten daarvan grotendeels zelf dragen. De PvdA is al langer overtuigd van de redelijkheid van dit standpunt. Nog vers in het geheugen ligt de kritiek van Wouter Bos in 2006 op wat hij omschreef als ‘perverse solidariteit’: „De slager op de hoek betaalt nu mee aan de opleiding van een advocaat”. Al veel eerder, bij de invoering van het beurzensysteem in 1986, had een andere PvdA-prominent, Jacques Wallage, soortgelijke kritiek geuit: „Tante Truus zal straks mee moeten betalen aan de basisbeurs voor de zoon van minister Ruding”.

Zoals we het redelijk vinden dat de vervuiler betaalt, zo zijn we het meer vanzelfsprekend gaan vinden dat dit ook geldt voor wie profiteert. Zeker als dit ook nog eens de best verdienende helft van Nederland is. Maar je kunt daar, net als de SP, ook anders naar kijken. Namelijk vanuit de gedachte dat iedereen die de ambitie en de talenten bezit om een bepaalde opleiding te volgen, gestimuleerd moet worden om dat te doen, en dat dit evenzeer moet gelden voor de kinderen van tante Truus en van de slager op de hoek als voor die van minister Ruding. In het verleden was het algemeen aanvaarde uitgangspunt van de Nederlandse onderwijspolitiek dat de maatschappij als gemeenschap er het meest bij was gebaat wanneer iedereen gestimuleerd werd zijn of haar talenten zo veel mogelijk te ontplooien. Om die reden werden bijvoorbeeld leerlingen die laag startten in het voortgezet onderwijs, maar tot meer in staat bleken te zijn, gestimuleerd om via mavo en havo en zonodig een keer zitten blijven, door te stromen naar het vwo. Die mogelijkheid kwam vooral kinderen uit lagere sociale milieus ten goede. Dat veranderde in de jaren tachtig met de invoering van een toentertijd geheel nieuw beleidsprincipe, het profijtbeginsel, in de woorden van Wikipedia „gebaseerd op de gedachte dat burgers en bedrijven moeten bijdragen in de kosten van de door de overheid voortgebrachte voorzieningen naar de mate van het profijt dat zij (de burgers) van die voorzieningen hebben”. Vanaf die tijd werd een studie minder gezien als een investering van de maatschappij in zijn burgers en meer als een investering van het individu in zichzelf, en waaraan dat individu, zoals dat ook geldt voor andere investeringen, het recht ontleent daar later de financiële vruchten van te plukken. Deze verandering in denken heeft funeste gevolgen gehad voor het hele onderwijs van hoog tot laag.

Zitten blijven en doorstromen is duur. In plaats daarvan werd gekozen voor de vroegtijdige, min of meer definitieve selectie met aan de ene kant het vmbo en aan de andere kant havo/vwo. Om aan de goede zijde van de streep terecht te komen, is het van belang de schoolloopbaan te beginnen op een basisschool met goede toetsresultaten, zo nodig aangevuld met bijles en extra training voor de Cito-toets. Omdat kinderen van hoogopgeleide ouders bij een dergelijke vroegtijdige selectie in het voordeel zijn, signaleert de OESO sedert het eind van de jaren negentig dat de schoolloopbaan van kinderen in Nederland niet, zoals in het verleden, afhankelijk is van hun intelligentie, maar van de sociale achtergrond van hun ouders. Met als vanzelfsprekend gevolg dat het grootste deel van de studiefinanciering naar het best verdienende deel van de bevolking gaat. Maar dit is niet, zoals Klaver meent, de kern van het probleem, het is een van de symptomen van een ontwikkeling die geleid heeft tot een steeds grotere ongelijkheid in kansen. En tot grotere ongelijkheid in de maatschappij, want als studeren een investering is, dan dient die ook zijn geld op te brengen. Wie veel studeert, moet ook veel verdienen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel over het sociale leenstelsel zeiden Tweede Kamerleden te vrezen dat velen om financiële redenen zouden afzien van een studie. Minister Bussemaker meende dat dit nogal mee zal vallen, maar je hebt geen glazen bol nodig om te kunnen voorspellen dat een studieschuld van tienduizenden euro’s vooral jongeren uit de lage inkomensgroepen zal afschrikken. En als zij al besluiten te gaan studeren, zal de keuze van de studie steeds meer worden ingegeven door het te verwachten rendement. Investeren in een studie oudheidkunde of taalwetenschap zal alleen nog maar zijn weggelegd voor wie zich dat risico kan permitteren.

Marike Stellinga schreef in haar wekelijkse column in deze krant weinig begrip te hebben voor het verzet van de Tweede Kamer tegen een sociaal leenstelsel. Omdat hbo- en universitaire studenten de toekomstige winnaars op de arbeidsmarkt zijn, behoeven zij in haar ogen geen bescherming of subsidie van de overheid. Maar het gaat niet om de persoonlijke belangen van die studenten, het gaat om veel meer, namelijk om de maatschappelijke tweedeling die het gevolg is van het onderwijsbeleid en waar het sociale leenstelsel het voorlopige sluitstuk van is. In zijn essay Pleidooi voor Populisme vertelt David van Reybrouck over een wandeling die hij op een zonnige zomerdag maakte met oud-studiegenoten over de boulevard van een Belgische kustplaats. Daarbij maakten ze zich vrolijk over de piercings, tatoeages en kapsels van de voorbijtrekkende gezinnen. Tot Van Reybrouck zich realiseert dat de vaders van die jongens en meisjes werkzaam zijn in beroepen vergelijkbaar met die van zijn eigen vader en die van zijn vrienden. Terwijl hun ouders zich qua ambitie en levenswijze spiegelden aan de idealen van de middenklasse, lijkt inmiddels voor kinderen met een dergelijke achtergrond sprake te zijn van een haast onoverbrugbare kloof tussen beide werelden. Dat is waar de (onderwijs)politiek van de afgelopen 25 jaar ons heeft gebracht.

    • Leo Prick