Angst voor bloedbad door opmars ‘Witte Leger’

Jonge strijders van de Nuer willen in gevecht met het regeringsleger. Het ‘Witte Leger’ richtte al eerder massaslachtingen aan.

Een meisje op de vlucht in Juba kijkt vanuit haar tent naar buiten. Foto AP

Net als in het verleden eist het ‘Witte Leger’, een beruchte zelfverdedigingsmilitie van jongeren uit de deelstaat Jonglei, een hoofdrol op in Zuid-Soedan. Tienduizenden strijders, behorend tot het volk van de Nuer en in het dagelijks leven veehouders, zijn eind vorige week op weg gegaan naar de lokale hoofdstad Bor. Daar willen ze de confrontatie aangaan met het regeringsleger dat trouw is aan president Salva Kiir, van de rivaliserende Dinka-stam.

Volgens een regeringswoordvoerder in hoofdstad Juba hebben de meeste rebellen zich afgelopen weekeinde door stamoudsten laten overtuigen hun opmars te staken. Het is onduidelijk of dat klopt. Uit gisteren door de Verenigde Naties uitgevoerde verkenningsvluchten blijkt dat zich nog steeds gewapende groepen ophouden in de buurt van Bor. Het gevaar van een bloedbad is niet geweken, is de boodschap van de VN.

De ontwikkelingen bij Bor, waar vorige week al hevig werd gevochten tussen het regeringsleger en rebellerende soldaten die loyaal zijn aan de vroegere vicepresident Riëk Machar, toont aan dat de oorlogsdreiging in Zuid-Soedan nog lang niet is geweken, twee weken na het begin van de vijandigheden. Pogingen van regionale leiders om vredesbesprekingen op gang te brengen tussen president Kiir en zijn opponenten, Riëk Machar voorop, zijn voorlopig gestrand. De voortvluchtige Machar eist de vrijlating van elf politici, critici van de president, en zegt de strijd pas te willen staken als er serieuze gesprekken op gang zijn gekomen over vrede. Machar en anderen uitten eerder deze maand op een besloten partijbijeenkomst scherpe kritiek op de in hun ogen autoritaire regeringsstijl van de corrupte president Kiir. De regering van Kiir zegt slechts acht gevangenen te willen laten gaan, en ziet in Machars weigering de wapens onmiddellijk neer te leggen, een reden om de rebellie in het land uit te roeien.

Maar de vraag is of het regeringsleger daartoe in staat is. Vooralsnog blijft de situatie niet alleen in Bor diffuus, ook in en rond verschillende andere deelstaathoofdsteden in het noorden en het oosten. Volgens de laatste, gisteren door de VN opgemaakte balans zijn inmiddels 180.000 mensen van huis en haard verdreven. Zo’n 75.000 hebben toevlucht gevonden op een van de bases van de VN-missie in het land. Volgens de hulporganisatie Save The Children zijn vooral in afgelegen streken kinderen van hun ouders gescheiden.

Tot dusver wordt gemeld dat de afgelopen twee weken zeker duizend doden zijn gevallen, maar waarnemers zeggen dat dit aantal in werkelijkheid veel groter is. Zo nam het regeringsleger afgelopen vrijdag Malakal in, de hoofdstad van de deelstaat Upper Nile. Uit videobeelden blijkt dat veel huizen in het centrum van de stad in as zijn gelegd en dat winkels zijn geplunderd. Ongeveer 25.000 inwoners zijn gevlucht naar de basis van de VN in Malakal. Rebellen zouden zich opmaken een nieuwe aanval te lanceren. Westelijker maakt het regeringsleger zich op Bentiu, de hoofdstad van de deelstaat Unity, te heroveren.

De dreigende situatie in Bor roept herinneringen op aan het macabere bloedbad dat er eind 1991 plaatsvond. Toen zetten strijders van het Witte Leger, met de zegen van rebellenleider Riëk Machar die destijds een couppoging deed om de macht over het Zuid-Soedanese verzetsleger over te nemen van toenmalig leider John Garang, de aanval op Bor in. Binnen enkele dagen werden tweeduizend mensen afgeslacht, overwegend Dinka’s, de grootste bevolkingsgroep in Zuid-Soedan waartoe Garang behoorde en ook de huidige president Kiir. Later bood Machar daarvoor zijn excuses aan. Hij behoort, net als de tribale strijders van het Witte Leger, tot de Nuer, de tweede bevolkingsgroep in het land.

Ook nu lijken de tribale strijders Machars zijde te kiezen. Het betekent niet dat Machar direct gezag over hen uitoefent. De voorbije jaren werden Nuer-jongeren vooral bekend om hun gevechten met leden van de Murle in Jonglei. Eind 2011, begin 2012 slachtten ze zo’n zeshonderd Murle af.