Wat was het begin?

Zo’n 14 miljard jaar geleden ontstond het heelal, met de oerknal. Maar hoe kon zich uit niets zomaar iets vormen? En komt er na dit heelal weer een nieuw?

Aan het einde van zijn leven beschreef de beroemde fysicus Max Planck hoe volgens hem nieuwe ideeën gevestigd raken. Niet doordat tegenstanders langzaamaan overtuigd worden, zo schreef hij. Het gaat eerder zo: de tegenstanders van het nieuwe gedachtegoed sterven uit, terwijl een volgende generatie er intussen mee opgroeit en ermee vertrouwd raakt.

Misschien geldt dat ook wel voor de theorie die ingeburgerd raakte onder de naam Big Bang. Ironisch genoeg werd die naam gemunt door zo’n tegenstander: de Britse astronoom Fred Hoyle (1915-2001) introduceerde de term Big Bang in 1948 vol spot in een radio-uitzending van de BBC. Hoyle zag niks in het idee dat zelfs de kosmos een begin heeft gehad, en allicht dus ook een einde zal hebben.

En zo vreemd was dat niet. Nog maar ruim honderd jaar geleden dachten de meeste astronomen dat de Melkweg de gehele kosmos vulde. Dat sterren altijd zouden blijven bestaan en er ook altijd al waren geweest. Kortom, dat de kosmos een soort wonderbaarlijk toneel was – voor eeuwig in een evenwichtstoestand – waarop op een gegeven moment de mens verscheen. Einstein introduceerde zelfs een (overbodige) extra constante in zijn vergelijkingen om zo’n stabiel universum te beschrijven.

Hoe anders is dat nu. Tegenwoordig weten wetenschappers dat het heelal ‘pas’ 13,7 miljard jaar oud is, en sterrenstelsels nog een stuk(je) jonger. De zon ontstond 4,6 miljard jaar geleden, de aarde vlak daarna. Van een min of meer onveranderlijk decor is dus geen sprake. Als over ruim 5 miljard jaar de zon opzwelt en dan dooft, zal de aarde onbewoonbaar worden. Nog later zal, net als aan de sterren, ook aan de kosmos een einde komen.

Intussen stapelen de bewijzen zich op voor dat idee van die Big Bang, die oerknal waaruit de kosmos zich ‘opblies’ als een gigantische zeepbel. Van het schijnbare wegvlieden van sterrenstelsels dat Edwin Hubble in 1927 voor het eerst systematisch beschreef en met het uitdijen van het heelal in verband bracht, tot en met de precisiemetingen in 2013 aan de ‘gloed van de oerknal’ door de Europese Max Planck-satelliet.

Toch is het scenario verre van compleet. Hoe het heelal zal eindigen weet niemand. Zal het uitdijen omkeren, de kosmos weer krimpen, sneller en sneller, tot hij eindigt in een Big Crunch – een eindkrak? Of zullen sterrenstelsels en sterren steeds verder uiteenvlieden, één voor één doven, totdat het donker en stil wordt in de kosmos tijdens een Big Freeze? Of treedt een Big Rip op waarbij alle materie, ook atomen, uiteengetrokken wordt?

Nog iets: hoe is het allemaal begonnen? Hoe kon die oerknal optreden? Hoe konden 13,7 miljard jaar geleden ruimte en tijd en energie en daaruit materie ontstaan? Uit het niets, luidt het wetenschappelijke antwoord. Doordat een toevallige quantumfluctuatie optrad. Misschien treden die zelfs wel vaker op, en bestaat er een soort zeepsop van universa, een multiversum, waarin zich ook het onze bevindt, met die voor mensen zo gunstige omstandigheden.

Of misschien is ons heelal er eentje in een eindeloze keten waarin oerknal en eindkrak elkaar voortbrengen en afwisselen.

Toch, echt bevredigend is het niet: het idee dat alles is begonnen met zomaar iets uit niets. Zal een volgende generatie het nog net zo vanzelfsprekend vinden als wij?

Margriet van der Heijden