Rot toch op met die oliebol

Oliebollen van Richard Visser, de winnaar van de jaarlijkse AD-Oliebollentest. Visser staat met zijn kraam op de Rotterdamse Heemraadssingel. Foto ANP / Bas Czerwinski

Niet te eten zijn ze. En dan al die jaarlijkse hysterie eromheen. De oliebol heeft zijn kans gehad, vindt Japke-d. Bouma.

Ik heb niks met oliebollen.

Kom op zeg. Doe even normaal. Oliebollen.

Niet te eten zijn ze, en dan ook nog eens al dat hysterische gedoe eromheen, elk jaar weer. Met van die kramen met mensen erachter die allemaal al wekenlang dag en nacht overuren draaien om aan de vraag te voldoen. Lijkbleek weggetrokken staan ze, stijf van de stress op hun tandvlees in het tl-licht. Rijen kleumende klanten ervoor. En waarvoor nou helemaal.

Oliebollen.

Kwakjes vet, met gist en ellende. Kijk ze daar nou liggen achter het glas met hun druipende bulten en putten. Als mislukte embryo’s van een uitstervend soort bultrug. Als het in je mond komt, weet je: het is niet voor niks dat dit slechts een paar weken per jaar verkrijgbaar is. De rest van de dag ben je misselijk, en zit je ze terug te boeren.

En dan dat gedoe ieder jaar, met die testen, wie de beste ballen bakt. Met van die teams met mensen die rondrijden in anonieme windjacks. En dan steeds overal quasi nonchalant 23 kilo oliebollen bestellen. Suiker apart. Kofferbakken vol poedersuiker.

Ik ben er helemaal klaar mee.

Hoezo traditie?

Die traditie is ontstaan doordat de oliebol sinds, pak ‘m beet, het vrouwenkiesrecht de rest van het jaar uit de schappen verdreven is door dingen die wél lekker zijn.

Thuis zeggen ze: doe nou even rustig. Om nou een hele bedrijfstak waar miljoenen mensen eenvoudig plezier aan beleven, zó weg te zetten. Het is maar een paar weken per jaar.

Of: benader het nou eens anders. Alsof we nog nooit een oliebol gezien hadden in ons leven. Dat het nog culinair onontgonnen gebied was. En dat DAN de oliebol in ons leven zou komen. De oliebol als het summum van innovatie, zeg maar.

Het lukt me niet. De oliebol heeft zijn kans gehad, hoor. Rot op. Met zijn frituurvet. Wat zou hij zijn zonder poedersuiker.

Toen ik afgelopen week Jan Smit op tv zag, klikte ineens alles in elkaar: de oliebol kan weg. Probleemloos. Hij is de C-categorie onder de mislukte gerechten. Vraag het na, en niemand weet waarom we er ook alweer zo opgewonden over doen. De pannekoek, de Belgische wafel, de poffer en de donut kunnen het zo overnemen. Zij weten wereldwijd miljoenen ondernemers tot gespecialiseerde verkooppunten te inspireren; het hele jaar open, zonder enig probleem. Even serieus: dat zie je de oliebol niet doen.

Oliebol.

Het is een scheldwoord, godbetert.

Oliebollen zijn voor pannekoeken.

Japke-d. Bouma schrijft wekelijks een column voor nrc.next over kantoor. Deze gelegenheidscolumn schreef ze vorig jaar voor next. Volg haar via @japked.