‘Ordentelijk debat’ is wens van bureaucraat

De prominenten die ‘redelijke’ opiniestukken eisen en NRC oproepen tot een boycot van EU-sceptici Thierry Baudet en Bastiaan Rijpkema bewaken enkel hun gevestigde wereldbeeld, aldus Theodore Dalrymple.

Om ’s ochtends wakker te worden gaat er voor mij niets boven een kop koffie en een krantenstuk waarmee ik het zeer oneens ben. Wat ik zelf vind, weet ik al. Het overkomt me zelfs weleens dat ik van mening verander, al geef ik dit zelden in het openbaar toe.

Een krant die nooit haar pagina’s zou openstellen voor iemand met een mening buiten een smalle marge, zou bijzonder saai zijn en haar lezers het plezier ontzeggen van de terechte verontwaardiging. Bovendien wordt iets wat op het ene moment als een ongehoord of onverantwoord idee wordt beschouwd, later vaak een onaantastbaar leerstuk.

Veertig jaar geleden leek het homohuwelijk een buitensporig, ondenkbaar idee – nu wordt precies het tegendeel als buitensporig en ondenkbaar opgevat. Deze verandering, ten goede of ten kwade, had niet kunnen plaatsvinden als elk respectabel opinieorgaan gesloten was gebleven voor opvattingen die eens buitensporig leken. Op 23 december beschuldigden acht bestuurders en wetenschappers de publicisten Thierry Baudet en Bastiaan Rijpkema van extremisme: zij vragen NRC in naam van ‘de verdraagzaamheid, openheid en redelijkheid’ niet meer van dergelijke artikelen (Vrijhandelsverdrag tussen EU en VS minacht democratie, 16 dec) te publiceren en de discussie over dit onderwerp ‘ordentelijk’ te voeren. Het zou niet meevallen om nog meer tegenstrijdige onzin in zo’n kleine ruimte te persen.

Ik moet bekennen dat Baudet een vriend van mij is, maar los van dat: ik kan niets extreems ontdekken aan zijn artikel. Of het nu wel of niet klopt wat ze zeggen, ze bepleiten geen oorlog of volkenmoord of zelfs maar economische autarkie, ze uiten geen haat jegens een volk, groep of persoon. Ze wijzen alleen op de problemen die eigen zijn aan het idee van een alomvattend verdrag, net als sommige economen hebben gewezen op de problemen die eigen zijn aan de gemeenschappelijke munt (en wier bezwaren door de latere gebeurtenissen ruimschoots zijn bevestigd). Waren zij ook extremisten wier mening de NRC niet had mogen publiceren, ook al bleken ze mettertijd gelijk te hebben?

Borsjé, Canoy, Heringa, Hoogduin, Van Lienden, Van Meerten, Veldhorst en Verhaar lijken op de cliché-criticus uit het essay On Common-Place Critics van William Hazlitt, die ‘meent dat de waarheid in het midden ligt, tussen de uitersten van goed en fout’. Hun roep om ordentelijke argumenten is merkwaardig, omdat hun stuk vrijwel geen argument bevat. Voor zover ik kan zien proberen ze geen enkel argument te weerleggen. Er worden geen feiten aangevoerd, geen onlogische conclusies aangewezen. Hun stuk is één lange kreet van verontwaardiging.

Dat een uitwisseling van argumenten ‘ordentelijk’ – oftewel niet al te storend – zou moeten zijn, is het eeuwige pleidooi van bureaucraten die voor niets zo bang zijn als de ontzenuwing van de veronderstellingen waaruit zij handelen en waarop zij hun loopbaan hebben gebouwd. Maar het is niet de taak van een krant om hen voor frustratie te behoeden – eerder het tegendeel. Door hun oproep aan de NRC om het stuk van hun tegenstanders te behandelen alsof het een half Vijftig tinten grijs was, laten ze zien dat het probleem waarop hun tegenstanders doelen zeer reëel is.

In zijn autobiografie zei Charles Darwin dat hij altijd passages noteerde die zijn standpunt leken te weerspreken, omdat hij ze anders zeker zou vergeten. Borsjé, Canoy e.a. willen daarentegen zulke passages niet alleen schrappen, maar ook dat NRC dit op voorhand doet. Ik vind echt niet dat NRC zulke onverdraagzame meningen zou moeten publiceren.

    • Theodore Dalrymple