Onze Jacco moet deze twee kampioen gaan maken

Dit weekend neemt de zwemcoach afscheid van de Nederlandse sportwereld Volgende week begint hij als bondscoach van concurrent Australië De fascinatie voor water zit diep bij de ‘badmeester’

Sportredacteur

Hij vindt het misschien wel fijner erin te hangen dan erin te zwemmen. „Ik kan niet zo goed zwemmen, maar ik voel mij het best in het water. Je kunt zweven in water. Het wordt rustig, het voelt goed. Dat heb ik nog steeds. Vooral onder water. Vroeger, toen ik echt jong was, wilde ik altijd duiker worden. Die stilte. En onder water ademen.”

De fascinatie voor water zit diep bij Jacco Verhaeren. De ‘badmeester’, zoals Ranomi Kromowidjojo hem weleens gekscherend noemde, leerde zichzelf zwemmen als jochie van drie, in het zwembad van de buren. „Ik ging gewoon het water in. Het grappige is: het eerste wat je leert is onder water zwemmen. Dat doe je automatisch, omdat je niet in staat bent aan de oppervlakte te blijven. Dan ga je een stukje naar beneden, daar word je gewichtsloos en kun je heel makkelijk naar de overkant.”

Daar, in een privézwembadje op het Brabantse platteland, raakte hij voor het leven betoverd. „In geen enkele sport word je geconfronteerd met zo’n enorme weerstand. En tegelijkertijd heb je dat water juist nodig om je tegen te kunnen afzetten. Water is tegelijkertijd je grootste vriend en je grootste vijand. Dat is mijn ultieme fascinatie voor zwemmen: het ongrijpbare.”

Australiërs zien hem graag komen

Jacco Verhaeren (44) bleek bij uitstek geschikt om het mysterie te ontrafelen. Weinig zwemcoaches in de wereld kennen zo’n hoge succesratio als de man achter de olympische titels van Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn, de Golden Girls en Kromowidjojo. Dit weekend neemt hij in Eindhoven afscheid van de Nederlandse sportwereld, volgende week begint hij aan de meest eervolle baan in zijn wereld: bondscoach van zwemnatie Australië.

Ze zien de coach van Hoogie en Inky graag komen, blijkt uit de reacties van topzwemmers als James Magnussen en Cate Campbell. Verhaeren kreeg zelfs een enthousiast telefoontje van het Australische zwemicoon Ian Thorpe. „Hij feliciteerde me en zei: het grootste probleem voor de Australiërs met jou wordt de correcte uitspraak van je naam.”

Het maakt Verhaeren „ontzettend trots”, dat hij werd gevraagd door het land waar hij tijdens de Spelen van Sydney (2000) bekendheid kreeg als coach, toen pas 31 jaar oud. Natuurlijk, met dank aan de gouden Spelen van Van den Hoogenband en De Bruijn. „De echte zwemliefhebbers in Australië voelen nog steeds de pijn van de zege van Pieter op Ian Thorpe op de 200 meter. En ze voelen nog steeds bewondering voor Inge.”

Hier hebben we er niet alles voor over

Destijds leerde Verhaeren Australië pas goed kennen. „Een geweldig land. Het is de omgeving, de mensen. Australiërs zijn behulpzaam, correct. Net als Nederland heeft Australië een enorme ambitie op sportgebied, maar zij hebben ook de daadkracht en de lef om het waar te maken. Sport wordt breder gedragen, door de bevolking en de overheid. In Nederland hebben we wel de ambitie om bij de beste tien landen van de wereld te horen, maar als je dan tegen de overheid zegt: dat kost je 200 miljoen, dan zijn ze niet thuis. We willen wel, maar we hebben er niet alles voor over.”

Het is precies die stap die maakte dat Verhaeren geen goede zwemcoach werd, maar een van wereldklasse. „Ultieme topsport betekent onvoorwaardelijke keuzes maken, en onvoorwaardelijk ervoor leven”, vat hij samen.

Wat dat betreft is topsport eenvoudig. „Je hoeft je alleen maar druk te maken om de dingen die je kunt beheersen: je eigen verzorging, je training, je eigen race. Dat komt wel eens egoïstisch over. Als er iets ergs gebeurt in de samenleving waar ik niks aan kan doen, dan vind ik dat net zo erg als iemand anders. Maar cru gezegd: het mag geen energie kosten.”

De Australische sprinter Magnussen was in Londen (2012) torenhoog favoriet voor het goud op de 100 meter vrije slag, maar faalde. Hij zei onlangs uit te kijken naar de komst van Verhaeren omdat die wel zou weten hoe een zwemmer met de druk van een olympische finale omgaat. „Druk is de verwachting van anderen, en van jezelf, over de uitkomst”, zegt Verhaeren. „Je druk maken over de uitkomst is het laatste wat je moet doen.”

In de twintig jaar dat hij in Eindhoven olympisch kampioenen smeedde sprak hij met zijn zwemmers nooit over winnen, finales of medailles. „Er heeft echt nooit iemand goud gehaald door eraan te denken. Verloren wél. Ik praat met mijn zwemmers altijd over het hoe: over de beweging, over techniek. Nooit over de uitkomst. Voor veel coaches is dat moeilijk. Ik gebruik bij de meeste trainingen geen klok. Tijd komt voort uit een aantal handelingen: je start, je keerpunt, je slaglengte. Het gaat om het proces.”

Verhaeren laat bij vertrek deze week een enorme erfenis achter, met tien maal olympisch goud en een topsportomgeving waar zelfs Australië jaloers op is. Toch mist hij in Nederland nog altijd een echte zwemcultuur met een constante aanvoer van talent. „Als Ranomi morgen stopt wordt medailles halen de komende jaren heel moeilijk”, zegt hij.

Vooral de basis, het diplomazwemmen, is hem al jaren een doorn in het oog. Kinderen stoppen direct na het diploma, is de trend. „Mijn jongste zoon zit op zwemles – maar zelfs ik zal blij zijn als hij daar van af is. Daar is niks leuks aan. Laat kinderen eens een zwembril opzetten. Kinderen driekwartier kwellen met prikkende ogen in een chloorbad is niet gezond, en niet leuk.”

Verhaeren schreef afgelopen jaar een nieuw leerprogramma waarin niet de onnatuurlijke schoolslag, maar de borstcrawl de basis vormt. „Dat ligt dichter bij hun bewegingspatroon, dus leren ze het gemakkelijker. En kinderen zouden het zwemmen veel meer spelenderwijs moeten leren.”

Misschien dat er dan in de toekomst meer kinderen uitgroeien tot het kaliber van Van den Hoogenband of Kromowidjojo. Maandenlang kon hij werken aan een technisch detail dat uiteindelijk een tijdwinst van één- of tweetiende van een seconde opleverde. Maar hoezeer de sport de laatste vijf jaar ook is geprofessionaliseerd, met onderwatercamera’s en allerhande van bewegingswetenschappers langs de badrand, het einde van de ontwikkeling is volgens Verhaeren nog lang niet in zicht.

Het kan nog sneller

„Het kan nog tienden sneller, op alle gebieden. Het materiaal kan nog beter, de techniek, onder water zwemmen, voeding. De trainingsmethoden en de metingen verbeteren dagelijks.”

Afgelopen jaar paste Verhaeren samen met de Amsterdamse coach Martin Truijens een nieuwe trainingsmethode toe, waarbij veranderingen van het hartritme nauwkeurig aangeven hoe zwaar een sporter op welk moment kan worden belast. „Het meeste van wat we nu doen is over tien jaar achterhaald”, zegt Verhaeren zonder een spoor van spijt in zijn stem.

En dan heeft hij het nog niet over „de ultieme doorbraak” in zijn sport: een nieuwe slag die sneller is dan de borstcrawl. Als ‘vrije slag’ is immers alles toegestaan. „Het lijkt mij onvoorstelbaar dat een slag die nu veertig jaar gemeengoed is, de borstcrawl, het eindpunt is. Daar geloof ik niks van. Dat kan niet.”

Kijk naar Johnny Weissmuller, vijfvoudig olympisch kampioen, maar beter bekend als Tarzan: „In zijn tijd dachten ze echt dat ‘borstcrawl met je hoofd boven water’ de snelste manier was. Je werd voor gek verklaard als je zei: nee, je moet je hoofd in het water leggen en zijwaarts ademen. Waarschijnlijk ging dat toen ook langzamer, omdat ze het niet konden. Totdat ze gingen oefenen.”

Hij noemt het de gevaarlijkste redenering in de wereld, ook in het bedrijfsleven: ‘dat doen we altijd al zo’. „Wie had gedacht dat een hoogspringer ruggelings over de lat ging springen? Destijds dachten ze ook dat die man gek was.”

    • Rob Schoof