Ik hoor op de afdeling, achter deurcode 30620

Boudewijn Paans verzwikt zijn enkel en kan niet naar huis omdat hij spastisch is. Hij komt terecht op een gesloten afdeling voor demente bejaarden. Daar ziet hij hoe bewoners worden behandeld alsof ze kinderen zijn. En hoe bezoekers enge übermenschen worden.

Boudewijn Paans: „Ik doe niet zo goed mee met het leven in het verzorgingstehuis. Ik laat het liturgisch bloemschikken aan me voorbijgaan. ” Foto David van Dam

Na een toiletbezoek verzwik ik mijn linkerenkel. Op zich een prestatie in de hoogste orthopedische schoenen van het land, maar het is geen breaking news. Iedere week vallen er gemiddeld veertig vijfenvijftigplussers om zonder dat ze het kunnen navertellen.

Op de foto bij de Eerste Hulp zien ze dat mijn blessure meevalt. Een stevige tape, modern gips zeg maar, en ik kan weer naar huis, zegt een co-assistent. Als ervaringsdeskundige lijkt me dat geen goed idee.

Ik kan thuis toch hinkelen?, suggereren ze in het Havenziekenhuis in Rotterdam. Dat kan ik niet. Vroeger op de speelplaats van mijn lagere school met de Bijbel heb ik, als spasticus, bij het hinkelspel geen poot om op te staan. Ik ben altijd als eerste dood. Heel zielig, vindt de co-assistent, maar van een opname is geen sprake.

Nu ben ik een crisisgeval. Het ziekenhuis regelt met hangen en wurgen toch de laatste kamer in heel Rotterdam, één in Pniël, een verpleegtehuis, weer met de Bijbel. Bij de voordeur van het tehuis zegt een zuster dat de bewuste crisiskamer wel op een gesloten afdeling voor demente bejaarden is. Ik denk nog: je kan er maar vast geweest zijn.

Na het afscheid van de familie, realiseer ik me dat ik nu eigenlijk lig waar ik volgens de man in de straat al jaren lig. Overdreven? Kijk maar eens hoe ik loop. Zie maar eens hoe ik eet. En durf mij maar eens te bellen. Zelfs in een droom vragen ze me soms of ik nog thuis woon.

De volgende ochtend word ik wakker door aanhoudend geroep om een zuster ergens in de verte. Ik weet weer waar ik lig: achter deurcode 30620. Weglopen is onzin, ik kan niet eens staan. Een paar uur later komt een mevrouw mijn kamer binnen. Ze zegt dat ze me komt helpen. Waarom ze ‘in het burger’ is en witte strikjes aan haar laarzen heeft? Ach, dat staat huiselijker.

Met een ‘Bea’, een soort steekwagen voor mensen, word ik naar de badkamer gereden. Voor het eerst zie ik mijn medebewoners op de afdeling voor demente bejaarden, die heel grappig Het Kompas heet. Het gezelschap lijkt veel op ‘plakkers’ op een verjaardag. En ook op een volle wachtkamer van een station, waarvoor geen trein meer stopt. Mijn medebewoners lijken geen mensen om achter slot en grendel te zetten. Niet op het eerste gezicht tenminste, want dan weet ik er nog wel een paar. Later in een rolstoel ben ik in de zogenaamde huiskamer – waar de klok wordt gesponsord door Johnny Walker – een van de wachtenden. Dan moet ik naar het toilet en behoef hulp.

Door die huiselijke kleding van het verplegend personeel weet ik niet meteen bij wie ik voor die hulp moet zijn. Per ongeluk vraag ik het aan een medebewoner. Die antwoordt: schijten moet je zelf doen. Eindelijk is daar dan een echte zuster. Als ze een telefoonspelletje heeft gewonnen mag ik pas iets vragen. Moet ik naar achteren? Eerst kijkt ze of ik een pamper draag. Oh, wat raar, ik draag er geen. Nou dan komt ze zo terug. Echt waar, belooft ze. Weer wil ik weg. Zoals de een nog een koffer in Berlijn heeft, weet ik nog een zorghotel in Breda. Maar mijn zorgverzekeraar vindt dat ik in Pniël heel goed zit. En om met mijn signalement Het Kompas even te verlaten is niet simpel. Na letterlijk veel geduw, getrek en gevraag mag het. Nu kan ik bij de balie op mijn iPad de krant downloaden. In de krant veel dementie en euthanasie. Die zaken zijn geen probleem in Het Kompas, daar doen ze vast aan langzame euthanasie onder het motto: wij doen ons best en God doet de rest.

Achter code 30620

De volgende dag ontmoet ik mijn familie in het restaurant. De gezelligheid duurt maar even. Onder de koffie wordt er hard aan mijn rolstoel getrokken, door een zuster.

Pardon, is het nu al tijd voor rolstoeldansen? Nee, ik hoor niet in het restaurant, zegt ze, ik moet terug naar Het Kompas, en snel. Ik denk, misschien wat overdreven: ben ik een Jood in de oorlog? Een asielzoeker in Amsterdam? Fout. Ik hoor op de afdeling: achter code 30620.

Ik vloek de handen van de zuster van mijn rolstoel af. Nou, dat hoeft ook weer niet, zegt de zuster nu heel verdrietig. Ze kan ook niet aan mijn neus zien dat ik maar een crisisgeval ben en de Schepper heeft hier echt niets mee van doen. Fijn. En hij kan er zeker ook niets aan doen dat nogal wat bezoekers van Het Kompas zelf op slag veranderen in enge übermenschen. Veel bewoners worden weer behandeld als of ze kinderen zijn. Om een vlekje in een wollen trui bijvoorbeeld maakt een man de grootste ruzie met zijn demente vrouw. Weet zij dan verdorie niet meer dat de trui op de hand gewassen moet worden?

Om al het gedoe te ontlopen wil ik ’s avonds maar vroeg naar mijn crisiskamer. Vaak al om zeven uur. In de grote stalen kooi voor mijn raam, die voor een serre moet doorgaan, rijdt een meneer in een rolstoel onophoudelijk in cirkels. Om in slaap te komen tel ik rondjes alsof het schaapjes zijn.

Verhuizing

Na vier dagen maak ik plaats voor een nieuw crisisgeval. Ik verhuis naar Het Anker, op de bovenste verdieping van het tehuis. Daar heeft de verpleging zich gelukkig verkleed. Ik zie nu eens zelf wat ze moeten doen. Probeer maar eens met een minimale bezetting zo’n tweeëndertig bejaarden, heel veel van het schoonmoeder-type, op de been te brengen. Iedere dag heeft weer veel weg van het spelletje ren-je-rot.

En het spel wordt gespeeld door nogal veel verpleegkundigen op contractbasis, wat de spanning erin houdt. En ook door jongens en meisjes die er uitzien of ze zo van de fiets zijn gestapt om ‘lekker’ het vak te leren. Zo maak ik wel weer kennis met nieuwe gezichten. Zesenzestig keer wordt gevraagd of ik echt geen sokken draag en moet ik uitleggen dat ik echt niet zo gek ben als ik er uit zie.

Geldgebrek is de oorzaak van de haast en de gebrekkige communicatie. Maar de verpleging blijft vrolijk, met een broeder speel ik nog een avondje de film Intouchables na.

Ik deel een kamer met een mevrouw van ver in de tachtig. Onze dialoog is beperkt. Een lelijk gordijn scheidt de kamer. Bij nader inzien niet onprettig. Ik hoor nu alleen maar hoe mijn kamergenoot iedere ochtend zo’n beetje in elkaar wordt gezet. En dat haar tanden, verdorie, alweer kwijt zijn.

Op de afdeling zijn de dames in de meerderheid. De mannen zitten in de ‘sorry, dat we er nog zijn’-houding. Sommige cliënten blijven even en anderen voor altijd.

Op een nacht krijg ik wat woorden met de overbuurvrouw. Ze zoekt midden in de nacht luidruchtig naar een haarnetje. Verwacht ze dan nog bezoek? Ik heb spijt van de ruzie. Maar ik doe dan ook nog niet zo goed mee met het leven in het verzorgingstehuis. Ik laat het liturgisch bloemschikken aan me voorbij gaan. En wil voor geen goud een kuiken, waar de vrijwilligers mee leuren, vasthouden. Ook niet even. Een kuiken in spastische handen? Ik ben geen dierenbeul.

Maar bij een gezamenlijke lunch komt alles weer goed met mijn kamergenoot. Ze maakt zelfs een bolletje met een onduidelijk slaatje voor me klaar. Ook playback ik met gez. 182 mee. En de overdenking, over dat de mens eens dingen moet loslaten, kan ik mijn zak steken.

Mijn enkel knakt

Ondertussen maakt de familie zich zorgen over mijn ‘genezing’. Terecht. Zelfs op de fysiotherapie van Pniël, waar ze nog een mevrouw van honderdtwee jaar aan het fietsen krijgen, zien ze dat ik niet vooruit ga. Mijn enkel knakt iedere keer weer door het moderne gips heen. En ik ben ook al geïndiceerd. O, o wat ben ik erg invalide. En thuis krijg ik, als ik ooit nog thuis kom, heel modern, een eigen slaapkamer. En een Poolse oppas is een optie. Want uiteraard zit ik straks voor altijd in een rolstoel.

Eindelijk wordt de ‘ervaringsdeskundige’ weer in mij wakker. Om mijn spastische enkel hoort gewoon ouderwets gips. Ik bel zelf het ziekenhuis en daar zijn ze gelukkig niet eigenwijs. Ik mag zelfs de kleur van het gips kiezen. Voor mijn doen loop ik daarmee na een paar dagen later bijna normaal. Ik kan misschien weer snel naar huis.

Helaas, wordt de afdeling getroffen door het norovirus. Zie mijn overbuurvrouw. Ze braakt dag en nacht uit al haar openingen. En de verpleging is van top tot teen gehuld in geel plastic. Net carnaval.

En ik mag de afdeling niet meer af. Ik ga toch. Nog een heel gedoe. Ik ben een beetje mister Bean. Maar de uitbraak lukt, ik ben vrij, alleen niet voor lang. Naar goed vaderlands gebruik word ik verraden. Ze rijden me, ver boven de maximumsnelheid terug.

Ik haal verhaal bij de teamleider. Zij haalt de afdelingsarts er bij. Heb ik nog wat? Ja! Of het normaal is dat ik onbeschermd bij een noro-patiënt op de kamer lig? Heeft de arts die virussen soms een vliegverbod opgelegd? Goh, wat leuk, speelt de arts. Eindelijk een mondige cliënt. Ik kan gerust zijn. Het beleid is allemaal volgens het protocol. Echt waar. Ik vergelijk later zijn protocol met het norovirus-protocol dat ik op internet vind. Daarin staat dat ‘slachtoffers’ geïsoleerd moeten worden.

Ik krijg toch een andere kamer, met uitzicht op de achtertuin van minister Opstelten. Ik deel de ruimte wel met een schipper die opschept dat-ie in de oorlog nog voor de Duitsers heeft gevaren.

Ook ernstig is dat ik hospitaliseer. Ik ga langzamerhand aan alles wennen. Makkelijk voor later, als de tehuizen nog bestaan. Ik wen er aan de dood, drie keer is hij al op de naargeestige gang geweest. En ik vind het niet gek dat ze denken dat mijn vrouw mijn dochter is. Ik wen ook aan de vrolijke meneer die iedere dag trouw zijn vrouw bezoekt. Na een herseninfarct kan ze alleen nog in het niets kijken en af en toe beverig huilen als een jong hondje. Als we gaan eten, gaat de meneer vaak voor in gebed. Bij ‘leidt ons niet in verzoeking’ zit er vaak een snikje in zijn stem.

Omdat ik door het norovirus niet in het restaurant mag komen, en niet heel de dag naar de mensen in de hospicekamers wil kijken, zit ik ook in die stalen serre. Daar lees ik Stoner van John Williams, die het ook niet makkelijk heeft.

Ik word op een zonnige middag afgeleid door vrolijke kinderen op een schoolplein. Ze maken kleurig speelgoed klaar voor de zomer. Ik wil hen als zo’n malle profeet in een jurk toe roepen: hallo kinderen, word nooit groot. Ik durf het niet. Als ze het binnen horen moet ik terug naar Het Kompas en mag ik niet naar huis, waar ik nog steeds geen eigen slaapkamer heb en die Poolse oppassers gelukkig nog niet zijn gearriveerd.

Uitgesteld kwaad

Eenmaal thuis word ik kwaad, uitgesteld kwaad op alles en op iedereen. Van de vrolijke invalide, die ik soms kan zijn, van de bij tijd en wijlen grappige opa, is niets meer over. Ik scheld en schreeuw tegen iedereen die het maar wil horen, misschien wel het meest tegen mezelf. En eten, drinken, pillen en poeders hoef ik ook niet meer.

De huisarts wordt gealarmeerd. Hij schakelt een ambulante psychiater in. Er komen er twee. Ze vinden dat ik me moet wassen en me moet aankleden, want anders nemen ze mij mee. Ze dreigen als zwarte pieten. Dan willen ze weten welke dag het is en ook in welk jaar we leven. Ik heb alle vragen goed. Dan mag ik hen ook een vraag stellen. Eerlijk is eerlijk. Die vraag gaat over Merkel. Die weten ze niet. Gierend verlaten de dames-artsen het pand.

Maar ik moet niet denken dat ik ‘genezen’ ben of zo. Het begint pas. Ik krijg een Bavo-behandeling. Bavo is hier in de buurt specialist in psychiatrie, zeggen ze zelf.

De mevrouw die het intakegesprek voert heeft nieuwe sportschoenen aan. Ze doet een beetje of ze de arts zelf is. Dat irriteert wat, helemaal wanneer ze meldt dat ik ook nog in een team wordt besproken. Ook zou ik mee moeten werken aan de Routine Outcome Monitoring. Heel Rotterdam heeft mijn billen al gewassen en nu dit.

Enfin, de psychiater die uiteindelijk bij mij thuis op de bank zit zegt dat hij mij helaas maar driemaal kan bezoeken, omdat hij dan wat ‘anders’ gaat doen.

Voor mijn doen blijf ik rustig. Ik mail de arts dat ik wanneer ik hulp nodig heb, wel een deurtje verder ga en omdat ik toch aan het schrijven ben leg ik bij het Havenziekenhuis en de verpleeginrichting een claim neer voor de wat ‘slordige’ behandeling van mijn enkel. Het ziekenhuis reageert naar behoren. En aan Pniël, waar het protocol inmiddels is aangescherpt, schrijf ik, na een vriendelijk gesprek onder meer: „(...) Meneer X, daar we niet op de markt staan, accepteer ik bij deze uw aanbod en hoop dat u het resterende bedrag oormerkt voor wat aardigs voor het verplegend personeel. Met de feestdagen voor de deur kan dat geen kwaad.”

    • Boudewijn Paans