Ik heb er last van dat dingen voorbij gaan

Marlies Heuer (60) is actrice. Ze gaat binnenkort op tournee als Winnie in Happy Days en speelt Badeloch in Gijsbrecht van Amstel, de nieuwjaarsvoorstelling in de Stadsschouwburg in Amsterdam. „Die vrouw heeft wel wat te spelen!”

Tekst Herien Wensink, foto Andreas Terlaak

De Gijsbrecht

„Ik ben het repertoiretoneel gaan waarderen, al liggen mijn wortels in een heel ander soort theater; in de hoek van beweging en dans, muziek. Ik heb de mimeopleiding gedaan, in de voorstellingen die ik zelf maak ben ik gewend tekst los te koppelen van beeld, of helemaal achterwege te laten. Maar taal is ook een liefde van me. Ik hou van Ibsen, en het afgelopen jaar speelde ik in stukken van Thomas Bernhard en Samuel Beckett. En nu dus Gijsbrecht van Amstel van Vondel.

„De rol van Badeloch is voor mij een wonderlijke sprong in het diepe – dit is het soort theater waar wij ons op de mimeopleiding juist tegen keerden; klassiek, talig en statisch. Maar ik heb een nostalgisch gevoel bij de Gijsbrecht. Ik kom uit een Amsterdams geslacht, Vondel werd bij ons thuis veel gelezen. Mijn ouders gingen op Nieuwjaarsdag naar de Gijsbrecht in de schouwburg, en vertelden ons erover: een oorlog tussen Haarlem en Amsterdam! Dat vond ik machtig interessant. Mijn moeder kon ook heel goed Ellen Vogel als Badeloch nadoen.”

Badeloch

„Die vrouw heeft wel wat te spelen! Ze keert zich heftig tegen het geweld en het oorlogvoeren, en moet met haar man het gevecht aangaan om hem niet te verlaten. Daarin gaat zij heel ver, ze zegt zelfs dat ze haar kinderen voor hem op wil geven. Maar dat lijkt me retorica, een heel zwaar, dramatisch argument, uit wanhoop en woede. Je reinste chantage. Haar volgende zet is dreigen zichzelf iets aan te doen.

„Ik hoef de psychologie achter een personage niet volledig te doorgronden. Als het daar in een repetitieproces te lang over gaat word ik altijd een beetje sip. Het belemmert me. Maar ik moet wel begrijpen waarom deze zinnen worden gezegd. Voor mij is de ingang hier: overreding, manipulatie. Dat ze het echt zou kunnen menen, geloof ik niet.

„Ik leer mijn tekst tijdens lange wandelingen. ‘Ick had nog amper aan mij pronck en Kerstnachts kleren/ Om in de Kerck met heel de stadt te triomferen’. Wanneer je het begrijpt, wordt het prachtige poëzie. Maar het kan evengoed abacadabra zijn. En soms is het Sinterklaas.”

Kathakali

„Ik hou niet van nabootsend huiskamertheater. Ik zat ooit in het oerwoud bij een acht uur durende Kathakali-voorstelling; ritueel theater uit India, waarin verhalen uit de Mahabbarata worden naverteld. Daar moet ik soms aan denken bij de Gijsbrecht. In het theater wil ik wegblijven van het naturalisme, en die Gijsbrecht heeft ook echt een vreemde vorm. De tekst bestaat grotendeels uit verslagen van veldslagen; er is nauwelijks actie, of handeling. In elk geval is het zeker geen ‘Goedemorgen, hoe is het met u?’-toneel.”

Aderlating

„Als acteur sta je ontzettend in je hemd. Zelfs na ruim dertig jaar is spelen nog altijd een aderlating. Het kan bijzonder feestelijk zijn, als je voelt dat het aanslaat, maar het blijft glad ijs. Spelen is honderd procent toewijding. Je begint om half negen en je stopt om half elf. Het is een soort bezwering; een trip die je beleeft met het publiek. Maar er is altijd de angst dat je uitglijdt, dat je de concentratie kwijtraakt of dat je de boog die je je had voorgenomen niet maakt.

„Ik speel veel in kleine zalen, en dan zit je bovenop het publiek. Ik zie het als iemand zit te appen, voel het als de stemming inkakt. Indutten vind ik de laatste tijd niet meer zo erg, daar heb ik begrip voor gekregen. Als iemand na drie minuten in slaap valt, denk ik: die is gewoon moe. Maar ik merk het wel. Een voorstelling is een dialoog met het publiek, en als je niet samen opgaat, is dat frustrerend.”

Happy Days

Happy Days van Beckett doen was al heel lang een wens van mij. In Beckett komt veel samen, de taal en de niet-taal. In die snaar daartussen heb ik me altijd bewogen: gaan we iets zeggen of niet? Bij Beckett zijn de woorden net zo belangrijk als de stiltes ertussen. Thematisch klopt het nu ook goed: het gaat over mezelf, omdat het over einde-leven gaat. Ik ben zestig, en wordt daar veel mee geconfronteerd. Ziekte, aftakeling, dementie; er zijn al veel mensen in mijn omgeving gestorven. In Happy Days heeft Beckett die laatste fase zo mooi gevat. Hij laat zijn Winnie vrolijk ten onder gaan. Zij klampt zich vast aan wat er nog wel is.”

Melancholie

„Ik ben me zeer bewust van de eindigheid van het leven. Dat kan bij mij zware vormen van melancholie aannemen. Ik heb altijd een donkere ondertoon gehad, mijn ouders zeiden wel eens dat ik met een frons ben geboren. Maar nu ik ouder word, wordt het sterker. Op je zestigste is ‘de rest van je leven’ een overzichtelijke tijd. Je gaat zitten tellen: als mijn nichtjes zo oud zijn als ik, ben ik dood. De mensen die zeggen dat ouder worden leuk is, geloof ik niet. Los van het feit dat ik nog een berg kan beklimmen hoor. Mijn jongere vriend houdt mij daarin niet bij. Ha! Maar ik heb er last van dat dingen voorbij gaan. Verschrikkelijk als je dit vak hebt. Als je nou beeldhouwer bent, dan staat dat beeld er tenminste nog. Maar onze voorstellingen verdwijnen.”

Artis

„Ik omring me graag met jonge mensen. Als ik het met mijn leeftijdgenoten te veel over de artrose moet hebben, die ik wel heb, raak ik geïrriteerd. Mensen van mijn leeftijd zijn zich bewuster van de vergankelijkheid, en alles wat daarbij komt. Mijn eigen ouders, de ouders van vrienden; ik heb veel narigheid gezien. Daar kun je angstig van worden. Als je ondernemende, creatieve, vitale mensen heb zien afglijden, kun je niet meer zeggen: ik ga huppelend door Artis mijn graf in. Al wil je dat nog zo graag. Maar het is niet zo dat ik steeds zit te somberen hoor. Het overvalt mij, gewoon op de fiets naar de Hema. Het zijn golven, chemische golven. Daarom ben ik denk ik zo’n werkpaard. Voortdurend bezig zijn, om niet helemaal stil te vallen. In kunst kun je negatieve gevoelens prachtig sublimeren. Dat is natuurlijk ook waarom iemand droevige muziek opzet.”

Proust

„Toen ik vijftig was, maakte ik een moeilijke fase door. Een lange relatie ging stuk, mijn vader overleed en ik brak mijn beide voeten; de bodem werd letterlijk onder mij weggeslagen. In die tijd maakte ik de Proust-cyclus met Guy Cassiers bij het RO Theater. Ik zat huilend in de trein naar Rotterdam, en deel twee speelde ik in het gips. Maar ik vond troost bij Proust. Hoe hij zijn leven is gaan noteren, en daar weer zijn leven van heeft gemaakt, van detail naar detail, vond ik inspirerend. De schoonheid van Proust, en van het theater van Guy, hielpen mij door die periode. Ik ben overeind gebleven. Overeind gehouden door de kunst.”

Mijn Munt

„Mijn moeder had aan het eind van haar leven een gedichtje van Vondel waar ze zich aan vastklampte. Vertroostinge voor Geeraerdt Vossius. Dat schreef Vondel voor Vossius toen die een kind verloor. Ze zei steeds: dat is een mooi gedicht om op begrafenissen te zeggen. Ze had het altijd wel ergens bij zich in een laatje.

„Een van de laatste uitjes die we samen maakten was naar de Bloemenmarkt. We staken over op de Vijzelstraat, zij schuifelend met zo’n loopfietsje. Halverwege bleef ze staan en keek achterom. ‘Even kijken, hoor.’ En toen, zachtjes: ‘Mijn Munt’. Dat was zo mooi, ze nam afscheid van haar stad. Daar moet ik nu steeds aan denken als ik Badeloch speel: „Verdelgde stad, wij gaen, en komen nimmer meer.

Gijsbrecht van Amstel is te zien: 1 t/m 4 januari in de Stadsschouwburg Amsterdam. Inl.: ssba.nl. Happy Days speelt onder meer 16 januari in de Toneelschuur in Haarlem. Inl.: toneelschuur.nl

    • Andreas Terlaak
    • Herien Wensink