Iets meer

De komende weken is het al Sotsji wat de klok slaat. Het Nederlandse schaatsheir quasi dagelijks prominent in beeld. Schaatsers zijn atypische sporters – ze hebben respect, maar krijgen de massa niet plat. In Friesland ja, maar verderop, in de Randstad, is Sotsji vooral carnaval, met wat extra-sportieve commotie.

Als atleet is Sven Kramer even dominant als Usain Bolt, maar epicentrum van de wereld zal hij nooit worden. Je ziet het ook aan de getemde emoties – schaatsers huilen zelden.

Zij hijgen na.

Het mooiste moment van 2013 was voor mij de niet te stuiten huilbui van de Spanjaard Joaquim Rodríguez. Op het WK in Florence stormde hij solo op de wereldtitel af. Pas in de laatste kilometer vond de Portugees Rui Costa alsnog aansluiting. Er werd geloenst en geloerd, getemporiseerd en omgekeken. Nog honderd meter: Costa kletst over Rodriguez heen.

Joaquim barstte los in een tyfoon. Hij bleef maar huilen, aan de meet en later op het podium. Zilveren medaille om een wrak. Niet de koers had hem gesloopt, de pijn om de nederlaag bluste zijn lichaam uit tot een vormeloze pudding.

De frêle Spanjaard met het getaande gezicht liep helemaal onder. Terwijl hij wankelend bloemen en medaille in ontvangst nam, zag je hem denken: mag ik dood!

Aangrijpend moment in de geteisterde wielersport. Verdriet valt buiten preparatie en medicatie. De tranen van Rodríguez welden spontaan en levensecht op. Ik herinner me geen Nederlandse wielrenner in een hysterische huilbui na een verloren sprint. Gerrie Knetemann kon zich suf janken, maar alleen bij succes.

Past niet in protestantse zelftuchtiging. In verlies ontstaat persoonsontdubbeling. Voor Joaquim Rodríguez verging de wereld na die zilveren medaille. Hij bestond alleen nog uit brokstukken. Die slepende attitude van verdriet kennen Robert Gesink, Bauke Mollema en Laurens ten Dam niet. Zij doen verlies af met een korte vloek. Ook daarom zullen ze nooit de Tour winnen.

Ander beklijvend moment: Fernando Ricksen in De wereld draait door. De ex–international kwam zijn noodlot toelichten: spierziekte ALS. Zijn ogen liepen bijna vol, maar een grap redde hem in extremis van het tranendal. Ricksen beloofde zichzelf in moeilijk te verstane slow motion als winnaar uit de strijd te komen met het catenaccio met de dood.

Ontroerend, die hang naar leven van een man die alles gedaan had wat God verboden heeft. De averechtse ontgroening van een ruige back tot lieve, desperate jongen liet een ferme brok in de keel achter.

In Nederland was 2013 het jaar van Arjen Robben. Beslissend in de finale van de Champions League. Tot in reclame en promotie boegbeeld van Bayern München. Robben heeft een breed scala aan grimassen, maar een huilebalk is hij niet.

Groninger, nietwaar?

Toch een weke binnenkant. Onder de muzieknummers op zijn mobiele telefoon staat Papaoutai van Stromae. Toen ik het las, werd ik gevuld met vertedering. Robben en Stromae: glorie dubbelop, maar in hun geval vanuit een totaal andere hoek. De voetballer als speels renpaard, vernuftig doelgericht. De Belgisch-Rwandese zanger als hiphopklankkussen van wanhoop en rauwe straatpoëzie.

Zangtaal: Frans.

Ik ken weinig Nederlandse voetballers die moeite doen om naar een Frans chanson te luisteren. De belangstelling van Arjen is formidable. Nu weten we ook dat Robben een stiller leven in zich draagt dan spreekkoren en tribunegezangen. Dat hij het donkere levensgevoel van Europa, zoals bezongen door Stromae misschien wel deelt.

Arjen Robben is meer dan een beeltenis. Mijn wens voor de lezer die ik van harte dank: moge het altijd iets meer zijn dan het lijkt.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.

    • Hugo Camps