Hoeveel kan de aarde aan?

Zes jaar geleden vroeg Alan Weisman zich af hoe de aarde eruit zou zien zonder mensen. Hij vraagt zich nu af: is een terugkeer naar een opgefriste aarde mogelijk zonder de mensheid eerst weg te denken?

Groeiende afvalbergen, leeggeviste oceanen, weggekapte tropische bossen, geplunderde grondstoffen, de opwarming van de aarde. Ze zouden niet bestaan, als er niet zoveel mensen waren. Het is een veel gehoorde redenering, die bijna altijd wordt gevolgd door de opmerking dat praten over overbevolking helaas een groot taboe is.

Zo sprak de Britse politiek filosoof John Gray in 2008 op de opiniepagina van deze krant van de noodzaak om „het ultieme taboe te doorbreken en de realiteit van de bevolkingsdruk onder ogen te zien”. En de beroemde Britse natuurfilmer David Attenborough, die verbonden is aan het instituut ‘Optimum Population Trust’, noemde in 2001 bevolkingsgroei een „levensbedreigend” maar tegelijkertijd „controversieel” thema.

Nu valt het in de praktijk wel mee met dat taboe. Al in de tweede eeuw schreef kerkvader Tertullianus dat de mensheid door zijn „enorme omvang” een last was voor de aarde, die hierdoor „nauwelijks in onze behoeften kan voorzien”. De zestiende-eeuwse denker Giovanni Botero vermoedde dat de grenzeloze groei van de mensheid alleen door hongersnoden en ziektes kon worden afgezwakt (of door afzien van een huwelijk).

De negentiende-eeuwse demograaf en predikant Thomas Malthus voorzag in zijn Essay on the Principle of Population (1798) oorlogen, plagen en andere ellende omdat de groei van de voedselproductie die van het aantal mensen nooit zou kunnen bijhouden. Meer voedsel produceren zou nauwelijks helpen, vreesde Malthus, want dat zou alleen maar leiden tot een verdere bevolkingsgroei.

Bevolkingsoptimum

Paul en Anne Ehrlich geloofden in een bevolkingsoptimum, gerelateerd aan technologische ontwikkeling. In hun boek The Population Bomb (1968) voorspelden ze dat in een jaar of tien honderden miljoenen mensen van honger zouden sterven. In 1974 noemde VN-secretaris-generaal Oe Thant de „wedloop tussen het tempo waarmee de mensheid aangroeit en de ontoereikende middelen die nodig zijn om de mensheid in vrede, welvaart en waardigheid te laten leven” de grootste bedreiging voor de wereld.

Aftellen. Onze laatste kans op een toekomst op aarde van Alan Weisman past in deze traditie. Zes jaar geleden schreef Weisman, voormalig journalist van de Los Angeles Times, ook al een boek over dit thema. Hij beschouwde het als ‘een gedachte-experiment’. Hoe zou de aarde er na een tijdje uitzien als er ineens geen mensen meer waren? Weisman stelde zich „een opgefriste, gezonde aarde” voor, waarin hij vervolgens de mens terugplaatste, „maar deze keer in harmonie met de rest van het aardse leven in plaats van verwikkeld in een strijd op leven en dood daarmee”.

‘Aftellen’ is de realistische keerzijde van dat gedachte-experiment. Is een terugkeer naar zo’n opgefriste aarde ook mogelijk zonder de mensheid eerst weg te denken? Hoeveel mensen kan de aarde eigenlijk aan, ervan uitgaande dat iedereen een min of meer aangenaam leven kan leiden? Is dit werkelijk „onze laatste kans op een toekomst op aarde”?

Weisman gaat journalistiek te werk. Aftellen is één lange, met vaart geschreven reportage. Hij laat veel mensen aan het woord, gaat naar debatten, laat zich rondleiden in laboratoria en over tarwevelden, bezoekt universiteiten en spreekkamers van consultatiebureaus. Allemaal plekken die te maken hebben met demografie en voedselproductie. Hij heeft weinig woorden nodig om mensen, een landschap of situatie te karakteriseren.

Zo neemt hij de lezer mee in zijn eigen, fascinerende zoektocht, die twee jaar duurde en waarvoor hij twintig landen bezocht. In de Palestijnse bezette gebieden spreekt hij met orthodox-joodse kolonisten en Palestijnen, die verwikkeld lijken in een wedloop wie de meeste kinderen krijgt. Bij het Internationaal Centrum voor de Ontwikkeling van Maïs en Tarwe (CIMMYT) in Mexico, de geboorteplaats van de ‘groene revolutie’, ziet hij hoe de race tegen de bevolkingsaanwas nog niet is gewonnen. In Niger vraagt hij zich af waarom veel vrouwen nog steeds acht tot negen kinderen krijgen. En hij probeert bij het Vaticaan te achterhalen welke strategieën daar werden bedacht om programma’s voor gezinsplanning te dwarsbomen.

De grote vraag is volgens Weisman, hoe bevolkingsgroei kan worden afgeremd. Hoe bereik je dat vrouwen niet meer dan 2,4 kinderen krijgen – en liefst zelfs wat minder – om te zorgen dat de wereldpopulatie daalt? Het antwoord komt van de vrouwen zelf, concludeert Weisman. Geef hun zelfbeschikkingsrecht, zorg dat ze zich kunnen emanciperen, en combineer dat met het gemakkelijk (liefst gratis) beschikbaar stellen van voorbehoedmiddelen.

Strategie

Dat die strategie werkt, heeft volgens Weisman Iran bewezen. Hij roemt het land om zijn bevolkingsbeleid. Tijdens de oorlog met Irak werd vrouwen gevraagd zoveel mogelijk kinderen te krijgen, om bij te dragen aan een „leger van twintig miljoen man”. Maar in 1988 gooide Iran zijn bevolkingspolitiek radicaal om: ‘Eén kind is mooi, twee is genoeg’ was de slogan van het nieuwe programma, dat in tegenstelling tot bijvoorbeeld de één-kindpolitiek van China geen dwang kende. Onderwijs voor vrouwen en meisjes vormde het fundament. In 1975 was tweederde van de Iraanse vrouwen nog analfabeet, schrijft Weisman, vorig jaar werden Iraanse universiteiten voor 60 procent bevolkt door vrouwelijke studenten.

Weisman beschouwt zichzelf als een mathusiaan, of eigenlijk als een ehrlichiaan. Ook al ging de ‘population bomb’ van de Ehrlichs niet onmiddellijk af, hun ‘formule’ over de schadelijke gevolgen van overbevolking geldt volgens Weisman nog steeds. Die formule luidt: i=pat (Impact = Population x Affluence x Technology). De menselijke invloed op het milieu wordt bepaald door bevolkingsaantallen te vermenigvuldigen met het consumptieniveau en de technologie die nodig is om dat niveau te bereiken.

Maar in die formule zit ook de beperking. Fred Pearce, een Britse collega van Weisman, legt dat haarfijn uit tijdens een debat in Londen, dat Weisman bijwoont – en waar Pearce door het publiek wordt weggehoond. De rijkste zeven procent van de wereldbevolking, zegt Pearce in het debat, is verantwoordelijk voor de helft van alle broeikasgassen. Terwijl de armste vijftig procent slechts verantwoordelijk is voor zeven procent van de uitstoot. Overconsumptie is de echte bedreiging voor het milieu, aldus Pearce, en niet overbevolking.

Dat er helaas ‘geen condoom tegen consumptie’ bestaat, zoals Weisman in navolging van Paul Ehrlich concludeert, is misschien wel waar. Maar het is als argument om consumptie slechts als een bijproduct van bevolkingsgroei te zien onvoldoende.

    • Paul Luttikhuis