Alleen H

Fictie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een voorpublicatie uit de nieuwe roman van Maartje Wortel, die begin januari verschijnt.

James bezoekt een praatgroep voor eenzame mensen. Omdat hij nieuwsgierig is. ‘Hoe jullie met elkaar praten en waarom we alleen zijn, wij allemaal.’

et is een dinsdag als ik uit nieuwsgierigheid in een gymzaal in de Amsterdamse Pijp een praatgroep bezoek voor mensen die zich alleen voelen. De bijeenkomst vindt plaats in hetzelfde oude schoolgebouw waar ik yogales krijg. Ze zeggen daar steeds dat je gewoon rustig moet ademen. Op een groot vel papier dat met een rode punaise aan het prikbord in de gang hangt staat dat iedereen welkom is; INSCHRIJVING NIET NODIG. De aanvangstijden staan eronder: di, do 18:45.

Ik loop de gymzaal binnen, die groot is en koud, buiten regent het onafgebroken maar zacht, het is een miezerige regen die je ongemerkt zeiknat maakt als je erdoorheen fietst. Ik fiets er niet doorheen, ik loop nu binnen in de gymzaal langs een klimrek met verroeste poten en langs de beslagen ramen aan de straatzijde. In het midden van de zaal staat een witte tafel, er zitten vijf mensen, allemaal mannen, de ruimte ruikt muf, alsof we in een bejaardentehuis zijn, en ik denk: misschien heeft het niets met bejaarden te maken, misschien is dit de geur van eenzame mensen. Ik neem plaats op een van de stoelen aan tafel en kijk naar de anderen in de groep. Iedereen houdt zijn jas aan. Ik ken een man die altijd en overal zijn jas aanhoudt zodat hij snel weg kan. ‘Je weet maar nooit’, zegt hij.

Het lijkt erop dat al deze mensen snel weg willen kunnen, terwijl we hier eindelijk samen zijn, of in ieder geval niet alleen.

De groep wordt geleid door een man die Jos heet. Hij stelt zich voor als Jos en zegt: ‘Noem me maar Jos’, alsof we uit een hele rij andere namen hadden kunnen kiezen. Jos heeft rood haar en lange bakkebaarden die doorlopen tot onder zijn kin, ook op zijn handen zitten rode haartjes en rode sproeten, hij draagt een zwart hemd en daaroverheen een vaal spijkerjack met een wit bontkraagje. Hij ruikt naar tabak, je kunt dat al aan zijn tanden zien.

Jos zegt dat het belangrijk is dat we open zijn naar elkaar, anders heeft deze hele bijeenkomst geen zin. ‘Eigenlijk moet die jas uit’, zegt hij. ‘Met de jas aan maak je moeilijker contact.’ Hij zegt dat hij weet dat het koud is in de gymzaal omdat de verwarming voor de zoveelste keer is uitgevallen en dat kou de mensen een rotgevoel geeft. ‘We hebben warmte nodig’, zegt hij, vandaar dat hij voor deze keer een uitzondering maakt. ‘Hou de jas vandaag maar aan’, zegt Jos. ‘Het is ook al donker buiten.’

Jos heeft een vrij hoge stem, zijn handen liggen kruiselings op zijn knieën, hij zegt dat hij de meeste gezichten kent en dat er ook twee nieuwkomers zijn. Zoals Jos het zegt lijkt het of de gymzaal bomvol mensen zit die zich alleen voelen in plaats van die lullige vijf personen (en ik) met wie we rond de tafel zitten, een aantal dat niet echt meewerkt aan het verkrijgen van een goed gevoel.

‘Ik wil jullie vragen om je naam te noemen en te vertellen waarom je hier naartoe bent gekomen.’ Jos knikt naar me, ik moet de voorstelronde beginnen.

‘Ik ben James’, zeg ik. ‘Ik zag het briefje hangen, ik bezoek daar ook de yogaklas in dit gebouw, vandaar. Soms ga ik daar naartoe om te blijven ademen en ik raakte nieuwsgierig naar wat jullie hier doen. Hoe jullie met elkaar praten en waarom we alleen zijn, wij allemaal.’

Jos stelt geen vragen, hij zegt alleen: ‘Ja.’ Zijn ogen hebben dezelfde kleur als zijn spijkerjack.

Ik luister naar de namen van de anderen en vergeet ze onmiddellijk. Je moet nieuwe gezichten vaker zien voordat je ze kunt herkennen. Herhaling is herkenning. Een man die Leo heet doet me aan mijn vriend Mike denken, dus Leo = Mike = Leo. Ik vergeet de naam van Leo niet meer.

Leo is ook nieuw in de groep, hij zegt dat hij glazenwasser is.

‘Ja’, zegt Jos.

Het is in ieder geval beter dan nee, dat leren televisiepresentatoren ook. Als je ja zegt blijven mensen zich aangemoedigd voelen om door te praten. Soms denk ik dat alleen televisiepresentatoren, en nu ook mannen als Jos, weten dat communicatie niets anders is dan rechtop in een stoel zitten, zo min mogelijk bewegen, je netjes aankleden, kijken, knikken, zwijgen en af en toe ja zeggen.

Het begint te onweren, het wordt zowel buiten als binnen nog donkerder dan het al was. De miezer is voorbij, de regen valt nu met bakken uit de lucht en het dak van de gymzaal is lek, op een paar plekken druppelt het water naar beneden. Ik denk aan de martelmethode, hoe je een schedel kunt uithollen als een steen in de bedding van een rivier door het water lang genoeg op een hoofd te laten druppelen. Hoe er mannen omheen staan die lachen, hoe lelijk die lach is. Volgens mijn vader is een lach niets anders dan vermomde agressie.

Later lees ik in de krant dat je verslaafd kunt raken aan marteling, dat er gevangenen zijn die om marteling smeken. Dat het niet-martelen een marteling kan worden. Ik denk aan mijn vader en hoe hij gewend is geraakt aan de noodkreten van mensen. Misschien zijn we allemaal gewend aan noodkreten en horen we ze daarom niet meer.

Jos zegt dat we ons niets van lekkage of van de regen aan moeten trekken. ‘Het is heel simpel: we luisteren nu niet naar de regen, we luisteren naar Leo’, zegt hij.

Leo’s lippen zijn vol, zijn haar is uitgedund en vet, dubbel viezig, maar verder ziet hij er keurig uit. Hij draagt een houtje-touwtjejas en zwarte sneakers, in zijn broek zit een vouw; je kunt die broeken tegenwoordig met vouw en al kopen, strijken is niet meer nodig. Om Leo’s pols zit een zilveren Casio-horloge, zo een dat hordes mannen van hun vader hebben gekregen. Zijn handen zijn sterk en grof, het zijn handen waar Marie van zou kunnen houden. Ze valt op fabelachtig grote handen omdat er volgens haar niets mannelijkers bestaat. Ze zegt dat ze niet voor niets op mannen valt. ‘Omdat het geen vrouwen zijn’, zegt ze. Leo is het soort man naar wie zij zou kunnen kijken, en van wie ze zou denken dat hij het voor elkaar heeft met zijn enorme handen. Maar dan breekt Leo, tenminste: het breken komt eraan, het is duidelijk te zien aan de uitdrukking op zijn gezicht en te horen aan zijn stem. Hij zegt: ‘Ik kan de huizen van andere mensen bekijken, maar er zit altijd glas tussen.’ Zijn lip trilt. ‘Ik zie bankstellen en kinderen, ik zie de foto’s op de vensterbank, er zit altijd glas tussen. Ik zorg dat de mensen naar buiten kunnen kijken, soms hoop ik dat ze mij zien, maar ze zien mij niet, ze zien alleen wat van hen is, de tuin aan de andere kant van het glas, hun auto voor de deur, de poes die in de zon ligt. Ik sta daar en voel de afstand.’ Leo schudt zijn hoofd en zegt nog eens: ‘Er zit altijd glas tussen.’ Het moet een zin zijn die vaak door zijn hoofd spookt. Zoals ik op willekeurige momenten de zin ‘Investeringen zijn per definitie een mislukking’ in mijn hoofd heb zitten.

‘Misschien moet je een andere baan zoeken’, zeg ik.

‘Zo werkt het niet’, zegt Jos. ‘Je kunt niet altijd maar weglopen van je problemen.’

‘Zie je jezelf in de weerspiegeling van de schone ruiten, Leo? Of zie je altijd de ander?’ Jos zit op het puntje van zijn stoel, hij voelt zich zichtbaar goed als gespreksleider.

‘Ik zie mezelf nooit’, zegt Leo zacht. Zijn lip begint heviger te trillen. En dan breekt hij daadwerkelijk, er is geen weg meer terug, hij begint te huilen.

Alle mannen van de groep kijken naar Leo, we weten niet wat we aan moeten met een huilende man, we weten niet wat we met elkaar of onszelf aan moeten.

Jos zegt een paar keer achter elkaar: ‘Ja, ja, ja.’ Tussendoor laat hij stiltes vallen. Leo huilt en Jos zegt ja. Al met al duurt het een paar minuten en dan gaat Jos plotseling rechtovereind in zijn stoel zitten. ‘We geven de beurt even aan iemand anders, de tijd gaat sneller om dan je denkt en het is de bedoeling dat iedereen aan de beurt komt.’

Iedereen komt aan de beurt.