Privaat optimisme leidt naar publiek optimisme

Het neoliberalisme is nog steeds aantrekkelijk. Het bevrijde individu spoedt zich van hype naar hype en voelt zich onveilig in luilekkerland.

In ouderwetse termen zijn het linkse boeken. Mark Rutte mag de auteurs dankbaar zijn dat zij het fundament leggen onder zijn liberale enthousiasme voor de participatiesamenleving. Maar Peter Giessen, Pieter Hilhorst en Jos van der Lans zijn er niet op uit om het kabinet-Rutte II de winter door te helpen. Zij zoeken naar actief optimisme.

Hilhorst en Van der Lans waren al een eind op streek met hun boek over nieuwe initiatieven van mensen die het lot in eigen hand nemen, om energie op te wekken in de buurt, of hun gezinsellende aan te pakken via eigen-kracht-conferenties, toen Hilhorst wethouder van Financiën, Onderwijs en Jeugdzorg werd in Amsterdam. Niet handig voor een schrijver en vrije denker, alles wordt opeens officieel.

De wethouder en zijn co-auteur hebben van de nood een deugd gemaakt door het tweede deel van hun boek bewust vanuit het perspectief van de overheid te schrijven. Hilhorst, vroeger de Volkskrant-columnist, programmamaker bij de Ikon en Vara-ombudsman, is niet zo’n autoriteit. Maar politiek verantwoordelijk is hij wel, zoals hij vorige week merkte toen hij een motie van wantrouwen overleefde. Het stadhuis had 188 miljoen teveel aan uitkeringen overgemaakt – het honderdvoudige van waar de ontvangers recht op hadden.

Het sociaal-doe-het-zelven waar de wethouder zo overtuigend voor pleit, was nog even niet doorgedrongen tot de uitkeringsfabriek die op de automatische piloot zulke bedragen verkeerd overmaakte. En weer terughaalt. Ook dat was niet exact volgens het handboek Hilhorst/Van der Lans: ‘niet óver mensen beslissen, maar mét mensen’. Bureaucratie in de praktijk.

Het aardige van het boek is dat de twee niet blijven steken in al of niet GroenLinks-gemijmer over zelfgebreide sociale verbanden. Van der Lans was wel senator voor die partij en Hilhorst heeft als PvdA’er waarschijnlijk affiniteit met dat gedachtegoed, maar ze zijn al jaren op zoek naar wat werkt. Zij combineren de nodige literatuur met opbeurende verhalen uit de Nederlandse, vaak Amsterdamse werkelijkheid.

Peter Giessen, voormalig opinie- en wetenschapsredacteur van de Volkskrant, heeft zijn overgang naar de meer solitaire post van correspondent in Parijs te nutte gemaakt door een essay te schrijven over het vaak geconstateerde contrast tussen ons persoonlijk optimisme en ons pessimisme over de samenleving. Met een onnadrukkelijke belezenheid en een elegante stijl vliegt de schrijver zijn afscheidsrondjes boven Nederland.

Een enigszins gewaagd experiment is het wel. Je zal maar over optimisme willen schrijven. Voor je het weet staan er zoetsappige, blije of cynische zinnetjes. Maar daar doet Giessen niet aan. Hij heeft een heleboel te vertellen. Hij plaatst de seculiere heilsverwachting van het individualisme in historisch verband. We komen uit christelijk-verzuilde tijden. In de jaren dertig waarschuwde een ‘regeringscommissie inzake het dansvraagstuk’ voor de invloed van ‘Amerikaansche negermuziek’ – de Zwarte Piet-discussie van toen.

En dan koerst hij naar het hart van VVD/D66-optimisme over de sterke, kundige burger die in zijn zelfredzaamheid meent dat hij alles aan zijn eigen inspanningen te danken heeft. Zonder oog voor wat de gemeenschap hem of haar schonk. En met weinig aandacht voor de mensen die bij de loterij achteraan stonden. Dan hadden ze maar harder moeten werken!

Ook in dit boekje gaat het niet om partijpolitieke overdenkingen. Giessen beschrijft de jaren ’45-’75 als ‘het sociaal-democratisch moment’ dat verzandde in werkloosheid en inflatie. De milieubeweging was een pessimistische breuk met het Verlichtingsoptimisme: ‘De fakkel van het optimisme werd overgenomen door Rechts.’ De jaren zestig worden vaak beschreven als tijd van hippies, provo’s en kabouters, schrijft Giessen, ‘maar achteraf is de rechtse kant van de sixties misschien wel belangrijker geweest dan de veel spectaculairder, maar tijdgebonden linkse kant.’ De VVD omhelsde het optimisme van ‘de hardwerkende Nederlander’. Het werd de partij voor mensen met zelfvertrouwen. ‘Daarmee werd ook het optimisme geprivatiseerd.’

Het neoliberalisme verbindt persoonlijk optimisme met een maatschappelijke ordening die als efficiënt én rechtvaardig wordt gezien. Wie er met de pet naar gooit moet het zelf maar weten. Privaat optimisme voert vanzelf naar publiek optimisme.

De kredietcrisis heeft de onhoudbaarheid van die stelling aangetoond, aldus Giessen. 2008 was het einde van het ‘neoliberale moment’, dat zelf een antwoord was op bureaucratische stagnatie van de sociaal-democratie in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het volkskapitalisme van Thatcher bleek gebaseerd op enorme schulden, maar desondanks blijft het neoliberale gedachtegoed ‘opmerkelijk populair’ aldus Giessen. Niet alleen hebben velen materiaal belang erbij, de idealistische en optimistische kanten van het neoliberalisme blijven aantrekkelijk – ‘een geprivatiseerde utopie waarin elk individu krijgt wat het verdient.’

Intussen spoedt het bevrijde individu zich van hype naar hype en voelt zich ontheemd en onveilig in luilekkerland. Giessen schrijft niet alleen mooi, hij vat overtuigend samen hoe dat particuliere eigen kracht-gevoel past binnen een verloederde buitenwereld. Om te komen tot een voorzichtig optimistische conclusie die mooi zwaluwstaart met het meer praktijkgerichte nieuwe sociale denken van Hilhorst en van der Lans. Het zijn twee pleidooien voor burgerschap van het beste soort.

Voor politici, die allemaal bezig zijn met al dat overhevelen van taken naar ‘dichtbij de mensen’, zijn dit verplichte boeken. Optimisme als organisatieprincipe is een aantrekkelijke en overtuigende formule. Niet voor laissez-faire politiek, des te meer voor zelfstandige burgers en een actieve overheid. Gemeenschapszin: niet als taak voor anderen, maar als bron van kracht.

    • Marc Chavannes