Klassieke stilleven is niet kapot te krijgen

De ‘nature morte’ versus de vloed aan politiek geladen beeldtaal

In de kunstcollectie van de Deutsche Bank zitten 99 wolven, kunstig en op levensecht formaat nagemaakt. Staan ze eenmaal ruimtelijk opgesteld dan lijken ze in een elliptische baan door de lucht te springen om – als lemmingen – tegen een glazen wand te pletter te slaan. Aan de voet van die wand richten zich weer andere wolven op om, mank of anderszins gewond, een nieuwe luchtsprong te maken.

Met deze spectaculaire installatie (2006) voorzag de Chinese kunstenaar Cai Guo-Qiang – met of zonder voorkennis over de koper – schijnbaar de wereldwijde bankencrisis. Of heeft hij de experimentele foto's van Eadweard Muybridge (1830-1904), met dieren in beweging, in drie dimensies willen verbeelden?

Dit zaalgrote kunstwerk kom te voorschijn in Stille levens. Honderden werken van wereldwijd een paar honderd kunstenaars – verdeeld in flora, eten, huisraad, fauna en dood – moeten in dit boek bewijzen dat het stilleven nog even vitaal is als in vorige eeuwen: als vanitas-symbool , als toonbeeld van overvloed, of als objectstudie. Alleen met het bekijken van de reproducties ben je al een middag zoet.

De Amerikaanse samensteller Michael Petry, kunstenaar, kunsthistoricus en directeur van het Londense Museum of Contemporary Art, heeft het liever niet over ‘stilleven’, maar over ‘nature morte’, omdat dat begrip ‘veel beter de symbolische gelaagdheid van het genre en de treffende verwijzingen naar de kortstondigheid van het leven en [...] de dood weerspiegelt.’ In zijn algemene inleiding raast Petry langs de verschillende historische opvattingen over het stilleven. Kort samengevat: in de loop der eeuwen heeft het genre aan betekenis ingeboet. Vergeet die symboliek van vroeger: what you see is what you get.

Toch is het afgelopen decennium iets veranderd, schrijft Petry. Veel kunstenaars grijpen juist terug naar de ‘nature morte’, vanwege de ontoereikendheid van ‘politiek geladen beeldtaal’. Tussen al het geweld dat de media serveren, ‘is de dood als universele menselijke conditie enigszins uit het zicht verdwenen.[...] Bewust of onbewust knopen kunstenaars weer aan bij thema’s die direct verband houden met de metaforen van de oude stilleventraditie.’

De eigentijdse, Nederlandse kunst doet in Stille levens zuinig mee. Alleen Maria Roosen, Michael Raedecker, Willem de Rooij en Peter Vos zijn uitverkoren. De oude Hollandse en Vlaamse schilderkunst speelt wél een prominente rol – als inspiratiebron van hedendaagse bloemenschilders. Als Alexander James bijvoorbeeld een tulpenruiker onder water fotografeert om de lichtschakeringen uit de Gouden Eeuw te krijgen, zegt dat iets over hem als vondstenaar en over verloren vakmanschap. De Amerikaanse Sharon Core kweekt zelf de bijzondere bloemen uit 17de-eeuwse boeketten en schikt ze voor haar foto's net zo springerig als Jan Brueghel deed. Je kan ook een vadermoord begaan, dacht de Israëlisch-Britse kunstenaar Ori Gersht. Hij liet een echt boeket naar een doek van Henri Fantin-Latour (1836-1904) ontploffen, wat in een fotografische seconde een spetterende confettiregen oplevert.

Alles is aan bederf onderhevig, wil Petry vooral zeggen, en dat is vrij letterlijk opgevat in het hoofdstuk ‘Eten’ – met smeuïg smeltend roomijs in olieverf, met foto’s van rottend fruit, en het portret van een dode vis, opgerold in een te kleine vissekom.

Ook in deze categorie zwicht Petry voor het buitenissige formaat, en wel voor het acht meter breed schilderij van Jorge Diezma, een uitklapbare pagina in het boek. Deze Spaanse conceptualist bracht zichzelf oude technieken bij om met een immense guirlande van bloemen, zilver, parels, vazen, vissen en draperieën de klassieke meesters van zijn land te evenaren. Dat lukt aardig, je zou zelfs willen dat hij hetzelfde deed met typisch Hollandse, 17de-eeuwse voorwerpen en dat zo’n uitstalling dan onder de grond, bij de Noord-Zuid lijn kwam te hangen, zoals in Parijs, als herinnering aan de grachtengordel-interieurs.

De ‘nature morte’ wordt in dit boek pas echt ‘in your face’ als mens en dier zich aandienen. Dode poezen en koolmezen, in verf of op foto, liggen net als de opgezette hertjes en uilen, nogal voor de hand. De immense uitvergroting van een vlinderpop bekijk je als een National Geographic-experience, en de dode haas, die Marta Klonowska in glas modelleerde, ontroert juist door zijn afstotende aaibaarheid.

Van een gehavende speelgoedaap, ook in het boek opgedoken, ligt geen kind meer wakker. Maar zou je dat kind de opgezette olifant laten zien die Damien Firsa op het puntje van zijn slurf laat balanceren – in 2008 in het paleis van Fontainebleau – , dan zal het deze stunt nooit meer vergeten. En misschien beseft het dan voortaan wel dat je behalve olifanten, in feite alles in dit leven 180 graden kunt draaien.

De laatste stap is onherroepelijk die naar de vergankelijkheid van de mens. En daar vallen de eerdere reproducties van kapot serviesgoed of een zaal vol sinaasappelen als flauwekul bij in het niet. De Belgische Cindy Wright schilderde fotorealistisch een handvol schedels, hangend aan touwtjes, als kannibalistische trofeeën. De Chinees Yang Jiechang pakt het esthetischer aan door porseleinen schedels en botten met Delfts blauw-patronen, te rangschikken in ladenkasten: het skelet als bouwdoos. En Paul Hazelton componeerde een schedel uit zijn huisstof.

De inleiding van dit boek begon met het mozaïek van een schedel met botten, dat mensen in Pompeï letterlijk bij hun voordeur herinnerde aan de dood. In ruim tweeduizend jaar blijkt dat ultieme vanitas-symbool wereldwijd nog steeds ‘alive and kicking’. Alsof ook de kunstenaar van nu ten aanzien van de dood met lege handen staat en teruggrijpt naar het enige dat nog ergens concreet voor handen is – en steeds vaker ook dat niet meer.

Of de oude stilleventraditie iinderdadd weer breeduit wordt opgepakt, zoals Petry zegt, durf ik op basis van dit boek niet te beamen. Daarvoor zijn de kunstwerken in thematisch en materieel opzicht veel te divers, en te multi-interpretabel. Hoe moeten we die wolven en acrobatische olifant in die traditie plaatsen? Hoe ‘morte’ moet een stilleven zijn om ‘nature morte’ te heten? En denkt u nu echt dat elk geschilderd boeket ons besef van eindigheid en eeuwigheid aanscherpt?

Als bewijsvoering voor de opleving van de ‘nature morte’ overtuigt het boek dus niet echt, maar Stille levens is wel een genereus kijkboek, het verruimt je blik ten aanzien van dit genre aanzienlijk.

    • Marianne Vermeijden