In veel succesmusea wereldwijd gaat beleving boven esthetiek

Wereldwijd neemt het museumbezoek toe. In Nederland groeit het spectaculair.

Lange rijen voor respectievelijk (met de klok mee) het Louvre in Parijs, de Hermitage in Amsterdam, de National Gallery in Londen en de Neue Nationalgalerie in Berlijn. Foto’s ANP, Reuters

Meer dan eens per week krijgt China er een museum bij. In het jaar 2000 telde het land zo’n 2000 musea, volgend jaar wordt de 4000 expositiehuizen gepasseerd. Maar talloze van die nieuwe musea staan nog leeg. Er moet nog een collectie voor worden verworven.

Het kan de Chinese overheid weinig schelen. Ieder museum vult zichzelf met bezoekers. Want musea zijn populair, wereldwijd. De oorzaak is voor een deel te vinden in statistieken. Musea zijn, van oudsher, vooral populair onder ouderen, hoger geschoolden en meer vermogenden. De wereldbevolking wordt rijker en hoger opgeleid. In landen als China groeit niet alleen de gemiddelde leeftijd, maar ook inkomen en opleidingsniveau. In Nederland zijn de babyboomers met pensioen gegaan.

De wereldwijde stijging van het museumbezoek is niet alleen te vinden in deze statistieken. Die heeft ook te maken met een veranderende opvatting over eigen functie en taak. Recent heropende musea laten dat het beste zien: het esthetische genoegen, beleefd aan geëxposeerde objecten, staat niet meer voorop. Wel iets dat museumdirecteuren graag ‘beleving’ noemen. In het heropende Scheepvaartmuseum in Amsterdam is zelfs een waarschuwing te vinden, voor een zaal waarin op de wanden een film wordt geprojecteerd. Epileptici opgepast: de volgende ervaring kan gevaarlijk voor u zijn.

Het succesvolle museum lijkt verder in weinig meer op het oermodel: lege, rustige zalen met hier en daar een object, vitrine of schilderij. Het gaat om de context van de objecten, om een verhaal. Daarbij is het verhaal vooral gericht op een breed geïnteresseerd publiek, niet op kenners, want met de groei van het aantal bezoekers, wereldwijd, breiden de wetenschappelijke activiteiten van musea zich niet uit. In Nederland komen die wetenschappelijke activiteiten, onder druk van bezuinigingen, zelfs sterk in het gedrang, terwijl Nederlandse musea qua publieksbereik voorop lopen.

Benno Tempel, directeur van het Haags Gemeentemuseum, onderstreept dat Nederlandse succes. Tempel: „Nog altijd hoor je het cliché dat het vinden van publiek Amerikaans zou zijn. Dat is echt onzin. Kijk naar een museum als het MOCA. Dat is het belangrijkste, zo niet enige museum voor hedendaagse kunst in Los Angeles, een stadsconglomeraat van minstens 14 miljoen mensen. Er komen jaarlijks 400.000 bezoekers, minder dan bij ons in Den Haag.” Ook qua presentatie zijn Amerikaanse kunstmusea conventioneler, bedaarder. Epileptici kunnen er gerust naar toe. Tempel: „Ze zijn daar veel minder bezig met het publiek, het gaat er daar vooral om dat een paar grote donors tevreden zijn: die betalen het geld immers.” Het is waar: weekblad The Economist liet deze week zien dat bij veel Amerikaanse musea maar 2 procent van de inkomsten wordt gehaald uit toegangskaarten.

Datzelfde weekblad vermeldde dat Nederland ook in een Europese context goed scoort. Alleen in Zweden is het aantal mensen dat in de afgelopen 12 maanden een museum heeft bezocht hoger dan hier. Hier is dat aantal bijvoorbeeld twee keer zo hoog als in alle Zuid-Europese landen.

Wel was het een Amerikaans museum (Guggenheim) dat, in samenwerking met de gemeente van het Spaanse Bilbao, ontdekte dat met spectaculaire nieuwbouw een grote publiekstrekker is te realiseren. Het gebouw van architect Frank Gehry staat er al sinds 1997, maar de bezoekersaantallen blijven hoog, al bestaat de kunst voor een groot deel uit afleggers van het Guggenheim in New York. Ook het Tate Modern in Londen bewijst dat een relatief kleine, niet bijzonder toonaangevende collectie geen obstakel hoeft te zijn: het in 2000 opgeleverde gebouw is met meer dan 5 miljoen bezoekers uitgegroeid tot het best bezochte museum voor hedendaagse kunst ter wereld. Een museum, zegt Tate-directeur Nicholas Serota, moet „forum” zijn, geen „schatkamer”.

Het heeft gemeentebesturen overal geïnspireerd spectaculaire gebouwen neer te zetten. Niet alleen in oliestaatjes als Abu Dhabi en Qatar: komende jaar zal Europa’s grootste museum, qua vloeroppervlak, opengaan in Kiev, het ‘Mystetskyi Arsenal’.

Die nieuwe musea zijn allen meer dan ruimtes voor topcollecties. Zo heeft Tempel ontdekt dat zzp’ers van zijn museum hun kantoor hebben gemaakt: „Begrijpelijk: we bieden een mooie entourage en gratis Wifi.” Of ze dagelijks naar de schilderijen kijken, weet hij niet.

    • Pieter van Os