‘Ik heb een markt en daar huren journalisten een kraampje’

De Nieuwe Pers was een van de nieuwe journalistieke initiatieven van 2013. Jan-Jaap Heij had een zwaar jaar.

Jan-Jaap Heij Foto Andreas Terlaak

April, café Wissenkerke, een kroeg bij station Sloterdijk. Jan-Jaap Heij (45) heeft ‘mediamiddag’: een rondje interviews met blogs en kranten. „Dat is goed voor mijn winkel. Dus dan doe ik dat.” Die winkel is De Nieuwe Pers. De online opvolger van dagblad De Pers, de krant waar Heij hoofdredacteur was. Vorig jaar trok hij na vijf jaar noodgedwongen de stekker uit het project: een „commercieel fiasco”.

„Ik kon bij jullie of bij de Volkskrant om een baantje gaan zeuren. Dan was ik bijvoorbeeld chef economie geworden. Daarna zou ik dan adjunct worden en daarna misschien wel hoofdredacteur. Maar dan sta ik over acht jaar weer op een tafel. Dan moet ik wéér een krant opheffen. Dat wil ik niet. Dat heb ik al gedaan. En dat was niet leuk om te doen.”

De journalistiek, zegt hij, beweegt zich onvermijdelijk een andere kant uit. „Digitaler, kleinschaliger, persoonlijker.”

Rob Wijnberg heeft twee weken eerder zijn digitale platform De Correspondent gelanceerd in De Wereld Draait Door . „De Correspondent is als crowdfunding-project een ongelooflijk succes. Maar jaloers? Ik kijk er niet naar. Geen tijd voor. Ik weet niet eens wie Jelle Brandt Corstius is.”

Heij heeft een ander plan: hij gaat abonnementen verkopen op individuele auteurs. Het idee: de lezer betaalt een vast bedrag per maand (1,79 euro) en kan dan bijvoorbeeld alle stukken van oorlogsverslaggever Arnold Karskens lezen.

In café Wissenkerke bestelt Heij een koffie en een tonic. „We zitten hier om de hoek, in een kantoorpand dat op de lijst staat om te worden herontwikkeld, dus daar kan je heel goedkoop in. We hebben een koffiezetapparaat en we hebben verwarming – al hing dat er ook een tijdje om. Verder hebben we sinds kort behoorlijk snel internet. Meer hebben we niet nodig. Wij zijn helemaal 2013. We hebben niet eens een bel.”

De Nieuwe Pers bestaat nu twee maanden. Jan-Jaap Heij is directeur, maar krijgt hulp van Alain van der Horst (oud-adjunct van De Pers). Inmiddels hebben zich zeventien journalisten bij het collectief aangesloten. Heij heeft zo’n „1.300” abonnementen verkocht: voor ten minste een half jaar. Aan het eind van het jaar moeten dat er 2.000 zijn. „Dat doel is niet spijkerhard. Maar als het er aan het eind van het jaar 600 zijn, dan werkt het niet.”

Zijn dagen vult Heij met het zoeken naar auteurs. Dit najaar moeten er tussen de vijftig en honderd journalisten voor DNP werken. Daarnaast geeft hij interviews, doet hij de boekhouding, en is hij webredacteur. Iedere ochtend schuift hij om zeven uur achter de laptop om nieuwe artikelen online te plaatsen. Hij zoekt er foto’s bij, maakt fotobijschriften, plakt linkjes. „Dit project is van míj”, benadrukt hij. „Ik doe alles zelf.” Behalve de eindredactie. „Wij redigeren niet. Dat is het mooie van digitaal publiceren. Als er veel fouten in een artikel staan, reageren lezers meteen. Dat corrigeert zichzelf.”

Ondertussen zoekt hij naar een nieuwe werkplek. „We betalen nu maandelijks 150 euro aan huur, dat wil ik terugbrengen naar nul. Dat kan tegenwoordig in Amsterdam. Zelfs op de Herengracht. Maar ik wil niet op de gracht. Daar zitten NRC-mensen. Dat is stom. Ik kom niet uit de grootstedelijke elite van Amsterdam. Dat wil ik graag zo houden. Ik zit liever in een buitenwijk als Bos en Lommer.”

Half mei

DNP is verhuisd. Naar een pand aan de Nieuwe Uilenburgerstraat. In het centrum van Amsterdam.

„Het was gewoon niet gezellig voor die stagiaires. Ik ben zelf niet vaak op kantoor. Dan zit je daar in je eentje in een buitenwijk.” In de hoek van de ruimte die DNP deelt met andere blogredacties, staan twee bureaus. De ruggen naar elkaar. Stagiair Ties toont de inboedel van De Nieuwe Pers: een kast met een printer, een paar regenlaarzen en een vlag van dagblad De Pers. Tijd om in te richten was er niet, zegt Heij. „Je klapt je laptop open en je bent verhuisd.”

Heij heeft ook zijn eigen beleid herzien. Auteurs publiceren nu zelf hun stukken. „Ik werd gek van de fotobijschriften. En de hele dag linkjes plakken. Met 11 journalisten is het nog te doen. Maar nu hebben we er 23.”

Dat het aantal journalisten nog niet op de gewenste hoogte is, dat zit zo. „Journalisten die bij ons willen werken, moeten bereid zijn als een stofzuigerverkoper abonnees te werven. Anders heeft het geen zin. Dan is alleen je moeder lid. De regel is nu: je mag voor DNP schrijven als het je lukt om in twee weken 25 abonnees te werven. Dan haakt al 90 procent van de journalisten af.”

Heij spreekt inmiddels twee keer per week op een congres. „Ik voel dat er iets aan het veranderen is. Tien jaar lang was het idee: je geeft je artikelen gratis weg. Nu zoekt iedereen naar manieren om mensen te laten betalen voor journalistiek.”

Heij moedigt commerciële experimenten bij DNP aan. Als auteurs in ruil voor een paar abonnementen een positief stukje over Natuurmonumenten moeten schrijven: prima. „Ik heb een markt en daar huren journalisten een kraampje. Binnen de grenzen van het strafrecht mogen ze zelf weten wat ze erin zetten.”

„De positie van freelancers is echt vreselijk. Word je gebeld door een krant, of je een artikel wil maken voor 15 cent per woord! Je kunt beter postbode worden. Mijn antwoord: pak ze terug. Plaats dat stuk dan ook op DNP, dan kun je er nog iets extra’s aan verdienen.”

„Mijn missie ligt niet op het inhoudelijke terrein van de journalistiek. Veel meer op het terrein van hoe je artikelen verspreidt. Als je een nieuw soort Coca Cola op de markt wil brengen, dan moet je ervoor zorgen dat zoveel mogelijk mensen op zoveel mogelijk plekken tegen die cola aan lopen. Dat is mijn strategie. Omdat ik geloof dat de aandacht online versnipperd is, zul je lezers keer op keer op je werk moeten wijzen. Exclusiviteit is ook een strategie. Dat is wat Rob Wijnberg doet met de Correspondent: de Nespresso-strategie. Het kan allebei werken. Maar ik geloof in het eerste.”

Dan staat Heij op: „Vind je het erg als ik ga roken? Trouwens, wat zeg ik? Daar gá jij helemaal niet over. Haha.” Buiten vertelt hij dat hij is opgegroeid in de bollenstreek. Hard werken (bollen pellen), veel drinken. Dat was zijn jeugd. Zijn ouders – „nette, linkse mensen. NRC-lezers. Zij wél” – zijn met pensioen. Zijn moeder was onder meer lerares, zijn vader chemicus. Hij deed onderzoek naar plastic verpakkingen. En gaf zijn eigen vakblad uit: Kunststof en rubber. „Mijn klasgenoten deed het aan een seksblad denken. Ben ik eindeloos mee getreiterd.”

„Zeg”, vraagt hij dan. „Ben je tevreden over de interviews tot nu toe? Ik zal nog een goeie flop voor je organiseren. Echt een zwaar dieptepunt. Geld op, vriendin weg. Goed voor je spanningsboog.”

Eind augustus

Mail van Jan-Jaap Heij: „Ik dacht… d’r moest maar eens een beetje spanningsboog in dat portret van je :-)” Daaronder hangt een link naar een nieuwsbericht: De Nieuwe Pers houdt op en gaat – als TPO Magazine – op in opiniesite The Post Online. Heij wordt er uitgever.

„DNP stopt niet”, zegt hij een paar dagen later. „Het is misschien een iets ander plan dan een half jaar geleden, maar de essentie blijft overeind: we gaan abonnementen op journalisten verkopen. Alleen nu onder de vlag van The Post Online.”

Onderweg naar de kroeg vertelt Heij dat hij moe is. Heel erg moe. Alle tijd gaat op aan kleine dingen. Nooit eens een moment om naar buiten te lopen, het strand op, en na te denken: waar gaan we naartoe? Hoe kan dit piepkleine bedrijf uitgroeien tot een wat grotere en stabiele organisatie? Daar kwam bij dat Alain van de Horst vlak voor de zomer besloot op te stappen. De compagnon van Heij werkt nu voor Greenpeace.

„Ik wilde dat de organisatie gestut wordt. Dat als ik onder een bus kom, dit project nog overeind staat.” Daarom dus de „fusie” met TPO. „Zij willen kijken of betaalde journalistiek werkt. Voor ons is het interessant omdat TPO veel meer bereik heeft.”

Heij lacht erom. Zijn carrière verloopt sowieso grillig. Hij begon op zijn 28ste als Nederlands jongste hoofdredacteur bij Intermediair – „ik was de Rob Wijnberg van de jaren 90” – daarna was hij adjunct bij HP/De Tijd (twee maanden) en bij Vrij Nederland (twee jaar). „Ik doe het hele politieke spectrum. Van Vrij Nederland naar The Post Online en weer terug.”

Bij The Post Online voelt hij zich thuis, zegt hij. TPO werd eind vorig jaar opgericht door Bert Brussen, voormalig medewerker van GeenStijl. „Ze hebben serieuze journalistieke ambities en laten tegelijk linkse en rechtse geluiden horen. Het is de zelfspot. Dat brutale. Ik hou niet zo van mensen die heel graag willen deugen. Want ik deug zelf namelijk ook niet.”

Eind november

„Dit jaar mag in mijn top drie van zwaarste jaren. Leuk, maar ik hou het geen vijf jaar vol. Het lijkt op mijn start bij Intermediair. Toen wist ik ook nog niet hoe het moest.”

Of de 2.000 langdurige abonnees gehaald zijn? „Dat is te ingewikkeld om uit te zoeken.” Hij gokt op 1.500. „Er zijn wel abonnees afgehaakt. Zoiets gebeurt, logisch als je van naam verandert.”

„Mijn doelen waren bewust bescheiden. Toen we met De Pers begonnen ging dat met ongelooflijk veel geraas en tamtam. Wij gaan alles en iedereen kapotmaken. De bestaande kranten kunnen inpakken. Dat vond ik toen al niet slim. We zijn er keihard op afgerekend. Toen ik dit project begon had ik me voorgenomen: dat ga ik dus anders doen. Het kan zijn dat ik een beetje ben doorgeslagen. Dat ik te weinig herrie heb gemaakt. Al ben ik er ook nooit vanuit gegaan dat het meteen een knallend project zou worden.”

„Het moeilijkste dit jaar was: hoe houd je de aandacht vast? Er was iedere twee maanden wel weer iets nieuws. Dan ging De Correspondent live. Toen kwam Blendle, Tone, eLinea, MyJour. Je moet je lezers steeds weer op je artikelen wijzen.”

„Weet je wat me nou zo leuk lijkt? Arnold Karskens schrijft voor ons. En we hebben Harald Doornbos. Ik ga er nog twee oorlogsverslaggevers bij zoeken en dan ga ik een online krantje uitgeven: Frontline News. Met alleen maar oorlog en conflict. Daar wordt een belangrijk deel van de geschiedenis geschreven. Dat lijkt me echt ge-wel-dig. Zo leuk zelfs, dat ik vrees dat ik het zelf maar ga betalen.”

December, aan de telefoon

Jan-Jaap Heij wordt opgeslokt door The Post Online, tachtig procent van de tijd is hij nu uitgever. Hij zit weer op een echt kantoor, „mét een bel”. Het werk voor zijn journalistieke start-up heeft hij grotendeels uit handen gegeven, aan een oud-stagiair. De grootste verandering tot nu toe? Hij lacht. „Het was wennen dat ik niet meer zomaar zélf – in mijn eentje – een beslissing kan nemen.”

    • Lineke Nieber