Een maffe zeepkist-rivaal van Jezus

Rond het jaar 200 schreef de intellectuele virtuoos Philostratus een biografie van de ‘onsterfelijke’ Apollonius van Tyana, een gek die verstandige dingen zegt en het tot een ‘Verlosser’ had kunnen schoppen.

Juist de grootste veranderingen voltrekken zich ongemerkt. Pas als ze eenmaal hun beslag hebben gekregen, zoekt en vindt het nageslacht een speciale gebeurtenis om ze te markeren, als embleem, om het begin te duiden. Neem de geboorte van Christus ruim twee millennia geleden, die nog altijd uitbundig gevierd wordt. De wereld verlost, niets minder dan dat! Weinig gebeurtenissen markeren zo treffend de waterscheiding tussen de gerijpte, intellectuele en esthetisch verfijnde heidense cultuur en de naïeve transcendentie van het Christendom als de geboorte van het Kind. Voorwaar een nieuw begin, zou je denken.

Maar Christus, uniek als hij later gevonden is, stond niet alleen. Sterker nog: naast hem stonden op rivaliserende zeepkisten talloze profeten en magiërs die net als hij oreerden over redding en paradijs. Die net als hij wonderen verrichtten, hun publiek inwijdden in de geheimen van het leven, die een leer van praktische wijsheid onderwezen, en wier daden door bewonderaars werden opgetekend om het geloof te verspreiden.

Wij kennen uit de eerste eeuwen na Christus talloze culten die sprekend op het Christendom lijken, zoals de Isiscultus, het Mithraïsme en de Hermesreligie. Alleen koos geen van deze voor het format van een Heilige Tekst in de vorm van een biografie, zoals de Evangelisten dat wel deden in hun vier levensbeschrijvingen.

Monty Python’s The Life of Brian is dus als parodie zo gek nog niet, omdat het de spijker op de biografische kop slaat. Veel minder mensen weten dat ook uit de oudheid zelf een soort Life of Brian is overgeleverd over een bijna contemporaine zeepkistcollega van Jezus: de biografie die de intellectuele virtuoos Philostratus rond 200 na Christus schreef van de Cappadocische tovenaar, filosoof en heilige man Apollonius van Tyana, actief in de tweede helft van de eerste eeuw na Christus. Dit werk is nu buitengewoon ingenieus en subtiel vertaald door Simone Mooij-Valk en verschenen als laatste deel van de langlopende Baskerville-serie van uitgeverij Athenaeum. In die reeks verschenen de afgelopen decennia bijna alle belangrijke klassieke teksten in Nederlandse vertaling. Er zit een melancholieke logica in de beëindiging van dit project met juist dit boek.

Philostratus was de antieke pendant van de pianotijgers die nu in geregelde successie het podium van het Concertgebouw beklimmen. Deze brengen hun publiek in vervoering met virtuoze vertolkingen van overbekend klassiek materiaal. Net zo traden in de vroege keizertijd over de hele antieke wereld retoren op met redevoeringen en improvisaties op thema’s die toen al eeuwen oud waren. Hun woordkunst heeft hun beweging de naam ‘tweede sofistiek’ bezorgd. En dankzij hun fascinerende woordmuziek verwierven ze bovendien een faam die hen in contact bracht met de groten der aarde.

Julia Domna

Philostratus was er zo één, en hij vermeldt in zijn biografie dat ze is vervaardigd op verzoek van Julia Domna, echtgenote van keizer Septimius Severus, die ‘alle soorten van welsprekendheid bewonderde en verwelkomde’. De claim vooraf dat zijn werk een retorisch-literaire redactie is van het deels onverzorgde, deels onbetrouwbare materiaal dat over de tovenaar uit Tyana voorhanden was – en dat de keizerin interesseerde –, vestigt zo nadrukkelijk de aandacht op de vraag naar de geloofwaardigheid van de tekst. Dat is geen overbodige luxe. Philostratus’ tekst lijkt op het eerste gezicht volkomen absurd, en inderdaad een verre maar niet eens zo heel afwijkende voorloper van The Life of Brian. Apollonius verplaatst zich miraculeus, heeft wonderbare voorkennis, geneest, leviteert, drijft demonen uit, maakt saters onschadelijk, communiceert gemoedelijk met Achilles die anderhalf millennium vóór hem leefde, en verbrijzelt zo nodig met een vingerknip de boeien waar de keizer hem in heeft geslagen. Geen wonder dat al heel vroeg serieuze geleerden als Photius in 9de-eeuws Byzantium (‘liederlijke nonsens, volkomen stupide’) of Aldus Manutius, die in 1501 de eerste druk van het werk in het Westen bezorgde (‘ik kan mij niet herinneren ooit iets van geringer kwaliteit gelezen te hebben’), Het leven van Apollonius niet al te serieus namen.

En toch is dit een bijzonder en vooral uiterst vermakelijk boek. Alleen al om het fascinerende inzicht op de culturele context waarin de nu voor ons zo centrale Heilige Schrift is ontstaan, maar waarin kennelijk ook heel andere benaderingen van profeten en wonderdoeners mogelijk waren. Net als Christus, blijkt Apollonius onsterfelijk. Van zijn volgelingen wil er één maar niet geloven en spreekt zijn makkers toe: ‘Jongens, ik ben nu al meer dan negen maanden aan het bidden tot Apollonius om me zijn leer over de ziel te openbaren. Maar hij is zo morsdood dat hij niet op mijn smeken reageert …’ Enkele dagen later valt de ongelovige in slaap, waaruit hij bezweet en met rollende ogen wakker wordend uitschreeuwt: peithomai soi (‘ik geloof u!’). Overal liggen de parallellen met het leven van Christus voor het oprapen.

Maar wie deze episode, waarmee Het leven van Apollonius eindigt, leest vanuit het perspectief van waarheidsvinding, mist een centraal element, en daarmee juist datgene wat het boek zo interessant en leuk maakt. Om de esprit ervan te zien moet de lezer het boek dan wél benaderen vanuit het perspectief van het literaire spel dat in de tweede sofistiek centraal stond. In plaats van de oudtestamentische profeten, leest Apollonius als heilige tekst de tragedies van Euripides, en speelt voortdurend een spel met de antieke literaire traditie, van Homerus tot Plato, dat zindert van dubbelzinnigheid en ironie.

Lees dit leven en stel u voor dat niet Christus maar Apollonius van Tyana onze Verlosser zou zijn geworden! Wij zouden dan een Heilige Schrift hebben waarin een gek optreedt die toch heel verstandige dingen zegt; een pias die begrijpt wat democratie is; die weigert zijn politieke leiders te volgen als ze halve garen blijken te zijn, maar uiterst subtiel met ze omgaat als ze verstand en fatsoen hebben, en dan sociaal heel goed kan functioneren. Die zijn klassiekers kent en buitengewoon vernieuwend over kunst en representatie blijkt te hebben nagedacht (Philostratus’ kunsttheorie is één van de belangrijker bijdragen op dit terrein uit de Oudheid). Een Bijbel kortom, waarin de centrale strategie van Socrates verder wordt uitgewerkt, die immers placht te schertsen in ernst.

De scherts met onderliggende diepten, dat is de ware antieke traditie. Maar tegen de scherts hebben de ernstige christenen zich verzet, met hun verbod op gelach aan de voet van het kruis. Philostratus’ peithomai soi daarentegen, uitgesproken door een bezeten volgeling, kan nauwelijks zonder glimlachen worden gelezen. Geloven? Misschien, maar ook weer helemaal niet.

Wanneer Apollonius met Achilles heeft geconverseerd bezoekt hij in diens opdracht het graf van de Griekse held Palamedes, volgens de mythe de uitvinder van het alfabet, en restaureert het met de woorden: ‘Leve Palamedes, dankzij wie de literatuur, de Muzen, en dankzij wie: mijzelf!’ Ik heb hier de, zoals gezegd, voortreffelijke nieuwe vertaling even niet gevolgd. Simone Mooij heeft: ‘Ja waarlijk Palamedes, oorsprong van de wetenschappen, de Muzen en mijzelf’, en benadrukt zo denk ik te weinig hoe grappig Apollonius opmerking is dat hij in feite literatuur is, een werkelijkheid opgemaakt uit letters.

Droste-effecten

Dat is dan ook mijn enige bezwaar tegen deze editie, die tal van elegante vondsten bevat en getuigt van een diepgaande kennis van het Grieks; dat de toon misschien iets te serieus is, te weinig oog heeft voor het eeuwige speelse, de Droste-effecten, ja zelfs soms voor de burleske komedie van Philostratus’ Leven van Apollonius. Dat is de vertaalster niet aan te rekenen. Het format van de Baskerville-serie voorziet nu eenmaal niet in extensieve contextualisering door écht uitgebreide noten en een wetenschappelijke inleiding die de complexe ironieën van Philostratus aan het licht kunnen brengen.

De lezer die afgaat op het kloeke gebroken wit van de uitvoering, de waardige typografie en het afzien van de frivoliteit van afbeeldingen die deze eerbiedwaardige reeks al zo lang karakteriseren, wordt wellicht alleen daardoor al in de richting gestuurd van de verheven ‘klassieken’. Het leuke is dat onder het marmer van de Baskerville-reeks hier, in Philostratus, een schalkse postmodernist schuilt. Het is treurig dat voor deze onderneming nu kennelijk geen publiek meer is. De marmeren hallen van uitgeverij Athenaeum zijn verlaten. Waar ooit alleen het krassen van de pennen van correctoren hoorbaar was, ritselen binnenkort alleen nog de muizen.