Denkend aan de Holocaust, ben ik trots op Israël

Hoe lang bestaat Israël nog? Eén generatie, twee, of meer? Een intelligente en alarmistische zoektocht van Ari Shavit, wiens boek als nummer 1 staat genoteerd op de 2013-lijst van het blad The Economist.

Wie over Israël schrijft, krijgt onherroepelijk kritiek. De een verwijt de auteur blind te zijn voor de grote gevaren die Israël bedreigen. De ander rekent de auteur aan dat hij (of zij) te weinig oog heeft voor de gruweldaden die Israël tegen de Palestijnse bevolking begaat. Meestal simultaan.

Dit discours leidt bij sommige auteurs tot een angstig, veelal oppervlakkig schipperen. Bij andere tot een verbeten, haast polemische toon. Zo niet bij Ari Shavit (1957), een gerenommeerde Israëlische journalist die onlangs het boek Mijn beloofde land publiceerde. Shavit onderzoekt Israël, zijn geschiedenis en zichzelf met open vizier. Hij schroomt daarbij niet zijn land te veroordelen of te prijzen. Zo legt hij bloot hoe veel Israëliërs over hun eigen land denken: kritisch en toegenegen.

Shavits verhaal van het zionisme en Israël begint in 1897, wanneer zijn Brits-Joodse overgrootvader voet aan wal zet in de haven van Jaffa, toen Brits Mandaatgebied, thans Israël. Shavit volgt zijn voorvader via zijn dagboeken op zijn ontdekkingstocht. Hij ziet het serene landschap, Jeruzalem. Shavit bewondert de volhardendheid van zijn overgrootvader, begrijpt zijn verlangen om zich hier te vestigen. Zijn voorvader zou beseffen dat de Joden in Europa geen stralende toekomst hadden. En Shavit noteert ook wat zijn overgrootvader niet zag: dat het land al door Palestijnen was bewoond.

Daarbij stelt Shavit vragen. Moest zijn grootvader echt vertrekken? Wel om zijn Joodse identiteit te behouden, concludeert Shavit achteraf. Waarom zag zijn grootvader niet dat zijn beloofde land niet leeg was? Hij wilde het niet zien, meent Shavit, omdat het noodzakelijk was om het niet te zien, anders zou hij op zijn schreden moeten terugkeren. Is Shavit blij dat zijn voorvader de oversteek waagde? Ja, schrijft Shavit, als zijn overgrootvader Engelsman was gebleven, zou hij zijn geassimileerd, zou Shavit wellicht half-Joods zijn geweest en een minder rijk innerlijk leven hebben gehad. Shavit is een zionist. Denkend aan de Holocaust, is hij trots op Israël.

Etnische zuivering

Kritischer dan over de generatie van overgrootvader is Shavit over wat volgde tijdens de Israëlisch-Arabische oorlog in 1948. In het aangrijpende hoofdstuk ‘Lydda’ beschrijft hij hoe de Palestijnen uit deze stad werden verdreven. Hij spreekt onomwonden over een etnische zuivering, maar probeert ook de motieven daarachter te begrijpen. Zo praat hij met ‘Bulldozer’, die zonder direct commando met een anti-tankraket in een moskee in Lydda zeventig Palestijnen doodde. Volgens Bulldozer deed hij wat gedaan moest worden, ‘in overeenstemming met de beslissing van hogerhand om de bevolking van Lydda weg te voeren en over de grens van de Joodse staat te zetten’.

De keus is duidelijk, schrijft Shavit aan het slot van dit hoofdstuk. ‘Je verwerpt het zionisme op grond van Lydda of je aanvaardt het zionisme mét Lydda’. Shavit keurt af wat Bulldozer deed. Maar hij schaart zich achter diegenen die het bevel gaven iedereen neer te schieten die in Lydda op straat liep, en de Arabische stad te evacueren. ‘Ik besef namelijk, dat als zij er niet waren geweest, de geboorte van de staat Israël niet zou hebben plaatsgevonden. Zij hebben het smerige, vuile werk gedaan waardoor mijn volk, ikzelf, mijn dochter en mijn zoons kunnen leven’.

Ronduit kritisch is Shavit over de Israëlische bezetting, vanaf 1967, van de Palestijnse gebieden. Die noemt hij onderdrukkend, wreed, immoreel en een bedreiging voor Israël. Hij schreef in 1980 als vredesactivist zijn eerste publicatie tegen de bezetting. In 1991 vergeleek hij in de krant Ha’aretz Israëlische detentiekampen in Gaza met Duitse concentratiekampen. Maar ook hierbij plaatst Shavit in zijn boek kanttekeningen. Zo schrijft hij over de eerste Israëlische nederzetting in bezet gebied: ‘Ik heb grote sympathie voor Ofra, waar ik razend op ben’. Sympathie omdat de kolonisten van Ofra blaken van zelfvertrouwen en vastberaden zijn om de staat Israël te redden. Het zijn kwaliteiten die linkse Israëliërs, het smaldeel waartoe Shavit zichzelf rekent, al twintig jaar ontberen.

Bovendien verwijt Shavit zichzelf en andere vredesactivisten dat zij dachten dat een einde aan de bezetting ook vrede betekent. Dat gelooft hij niet meer. Hij zegt dat er geen partner voor vrede is aan Palestijnse zijde, omdat de Palestijnen verder kijken dan 1967. Zij kijken terug tot 1948, en willen terug naar de dorpen waaruit zij zijn verjaagd. En in dit land samenleven, kan niet, stelt Shavit.

Zo raast Shavit door de geschiedenis, waarbij hij telkens halt houdt bij scharnierpunten, en inzoomt op enkele mensen die daar intensief bij betrokken waren. Hun ervaringen zijn beeldend en intiem. De dialogen die hij met hen en met zichzelf voert, zijn openhartig en verhelderend, en dikwijls pijnlijk. Zo moet een vriendin van Shavit, een Marokkaans-Joodse journaliste, huilen tijdens hun gesprek. Ze beschrijft hoe het voelt om elke dag te moeten bewijzen dat ze geen Arabier is, dat ze niet ondergeschikt is aan Joden met Europese wortels. ‘Jij begrijpt dat niet’, zegt ze tegen Shavit. ‘Jij voelt je in Israël altijd thuis. Jij hoort erbij.’

Behalve over immigratie en de relatie met de Palestijnen gaat het boek over andere, typisch Israëlische kwesties: Israëls kernwapenprogramma, het wilde nachtleven in Tel Aviv, de economische motor, de populistische politiek. Shavits onderzoek is grondig, zijn stijl soepel.

Er is ook wat op het boek af te dingen. Zo spreekt Shavit voornamelijk intellectuelen – teleurstellend voor een journalist. De Palestijnse geweldsgolf aan het begin van deze eeuw, die Israëliërs nog vers in het geheugen ligt, ontbreekt nagenoeg geheel, net als de hevige discussie over de Afrikaanse vluchtelingen. Ook geen woord over de actuele spanningen tussen seculieren en religieuzen, of de verslechterende relatie met Europa. Israëliërs merken dat ze daar met de nek worden aangekeken.

Hoe lang nog?

Daarbij is Shavit tegen het einde wel erg alarmistisch. Over de Iraanse bom. Over de 350 miljoen Arabieren. Shavit vraagt zich af hoe lang Israël nog zal bestaan. ‘Nog één generatie? Twee, drie generaties?’ Over de bezetting waardoor Israël moreel afglijdt. Over het tanende collectieve identiteitsgevoel. ‘We zullen een afgegleden staat moeten herstellen, een verscheurde samenleving tot een eenheid moeten smeden.’ Hoe, dat zegt hij niet. Shavit doorbreekt wel het zwartwit-denken door argumenten van links en rechts samen te nemen: de bezetting deugt niet, desalniettemin zijn de gevaren die Israël bedreigen onvervalst en groot. Maar één pijnlijke vraag stelt Shavit niet: kan Israël zichzelf wel uit het dal trekken, waarin het zich volgens Shavit bevindt?

Het antwoord is misschien af te leiden uit het feit dat zijn boek eerst is verschenen in Angelsaksische landen en Europa (de Nederlandse vertaling is uitstekend). Wellicht wil Shavit dat vooral het Westen zijn dubbele boodschap internaliseert. Dat lukt aardig. Het gezaghebbende weekblad The Economist zette het boek in zijn selectie van 2013 op één. Of het Israël redt, is een tweede. In Israël verschenen nog geen noemenswaardige recensies . Waarschijnlijk omdat het boek later in het Hebreeuws uitkomt. Mogelijk ook omdat Shavits bereik beperkt is tot de kleine linkse elite die zijn zienswijze al uit de krant Ha’aretz kent. Brede maatschappelijke discussie over Israëls fundamenten bestaat al lang niet meer.

    • Leonie van Nierop