De vele alziende ogen van het digitale panoptikon

Het diepe verlangen alles te horen en te zien. zonder enige weerstand tegen te gekomen, is zo oud als de mensheid. Het wordt realiteit, controle vervangt steeds vaker vertrouwen.

Bij alle onthullingen over de Amerikaanse inlichtingendienst NSA blijven een paar dingen raadselachtig, om niet te zeggen volkomen onbegrijpelijk. Waarom verwaarloost een dienst die in het diepste geheim de privacy van honderden miljoenen mensen schendt, haar eigen privacy zó belachelijk, dat de eerste de beste contractant ongemerkt 50.000 documenten kan wegsluizen? En waarom bleef en blijft het het gulzig opslokken van data het doel, terwijl nergens blijkt dat men uit alle informatie ook kennis weet te destilleren? Terwijl uit de interne notities blijkt dat de werknemers soms gek worden van information overload?

In de psychologie is er een naam voor mensen die lijden aan ziekelijke verzamelwoede: hoarders heten ze. Maar bij de NSA lijkt er meer aan de hand dan hoarding alleen. De blinde vlek voor de eigen beveiliging, gecombineerd met die onstilbare honger naar het verzamelen van steeds meer gegevens, laat zien wat hier aan het werk is. De NSA is bevangen door transparantiewaan. Het diepe verlangen alles te horen en te zien, zonder enige weerstand tegen te komen.

Die doorzichtigheidsdroom is zo oud als de mensheid, toont de Duitse literatuurwetenschapper Manfred Schneider aan in zijn opmerkelijk actuele studie Transparenztraum, die dit najaar verscheen. De Griekse god Momos, de god van de hoon en de kritiek, wist bijvoorbeeld al precies waarin het ontwerp mens te kort schoot. Er zat geen luikje in de borst waardoor je in zijn hart kon kijken.

Ook de neo-platonisten droomden van een bijna mystieke eenwording na het wegvallen van alle grenzen en dubbelzinnigheden uit de communicatie: ‘Want alles is transparant, er is niets zwarts, niets wat weerstand oproept, ieder wezen is in breedte en diepte klaar voor alle anderen en Licht doorschijnt het lichte’, schreef de filosoof Plotinus in de derde eeuw.

Exact dit streven is de core business van The Circle, het bedrijf uit de gelijknamige roman van Dave Eggers, die dit najaar verscheen. De vinding waarmee de firma, een brouwsel van Google, Facebook, Twitter etcetera, beroemd is geworden, heet TruYou, een digitale passe partout: ‘Your one identity – the TruYou, unbendable and unmaskable – was the person paying, signing up, responding, viewing and reviewing, seeing and being seen.’ Hoofdpersoon in dit 1984 van 2013 is de naïeve vrouw Mae Holland, die zich gretig uitlevert aan de ritsloze, drempel- en muurloze communicatie van The Circle.

Nu we aan het eind van transparantie-jaar 2013 beseffen dat we nog maar een paar stapjes van deze door Eggers geschetste toekomst verwijderd lijken, komt Schneiders boek bijzonder gelegen. Het toont hoe onze nagenoeg doorzichtige wereld de optelsom is van de transparantiedromen, -wanen, -terreur en -vindingen uit vroeger dagen. De mens, zo blijkt, heeft het gewoon nooit kunnen uitstaan dat er grenzen aan zijn zintuigen, grenzen aan zijn weten zitten. De transparantiedroom is angst voor controleverlies, en dus een almachtsfantasie, gesublimeerd in politiek, architectuur en literatuur.

Schneider trekt lijnen van Momos naar Julian Assange, van het eerste glas naar Google Glass en van schedellichters naar neurowetenschap. Zijn Leitmotiven zijn licht, helderheid, kennis en glas. Hij heeft een voorliefde voor obscure vindingen, vergeten auteurs en buitenissige utopische projecten; eerder het ‘kraniofaan’, een drug uit een vergeten roman die de schedel transparant maakt, dan een hoofdstuk over George Orwell. Ook is het verlangen naar doorzicht in dit boek zo’n breed begrip, dat Schneider er soms de halve geschiedenis van het denken in lijkt te willen parkeren.

Maar hij diept mooie dingen op. Om Descartes als eerste moderne ‘transparantiedenker’, vanwege zijn verlangen het brein tot in alle hoeken te verlichten, kunnen we in dit boek niet heen. Maar wie wist er dat tussen 1500 en 1800, toen glas nog kostbaar materiaal was, mensen regelmatig leden aan de waan dat zij van glas waren gemaakt?

Charles VI

Een beroemd geval van deze verstoorde lichaamswaarneming was de Franse koning Charles VI (1368-1422) die zeker wist dat hij bij de minste of geringste aanraking zou breken en die kleding met baleinen droeg om zijn transparante lichaam te beschermen en verhullen. Schneider trekt, verspreid over zijn boek, een kronkelende lijn die loopt van glasneurose via psychoanalyse naar de massale Selbstdarstellung in de wereldetalage die internet heet. De aanrakingsangst van vroeger is omgeslagen in de connectiedrang van nu. De constante is dat we tegelijk verlangen en vrezen doorzichtig te zijn voor anderen.

De transparantiedroom is in de mens constant, maar muteert met de materie, laat dit boek zien; hij paste zich steeds aan aan de techniek. Als de mens dus door wetenschap, waaronder nieuwe lenzen en optische vindingen, steeds beter in staat is de wereld te ordenen en in kaart te brengen, wil hij ook zijn soortgenoten blootleggen en transparant maken. Schneider diept een roman uit 1707 op waarin een duivel voorkomt, die in één bruusk gebaar alle daken van de huizen in Madrid rukt. How’s that, for privacyschending.

Van wereldordening naar nieuwe wereldorde; met de Franse revolutie wordt de transparantiedroom een politiek program – voor de Franse revolutie en de revoluties en terreurregimes die erop volgden. De redenering is bekend: de samenleving is tot duisternis vervallen en om het licht weer door te laten, moeten maskers afgerukt en mensen doorgelicht. Zo worden de bokken van de schapen gescheiden en kan de wereld weer klaar en zuiver worden. Marat, Danton en Robespierre, de schikmannen van de Franse Revolutie, noemt Schneider de eerste ‘Transparantieterroristen’. In Georg Büchners toneelstuk Dantons Dood (1835) verwoordt Danton het zo: ‘Elkaar leren kennen? We moeten elkaars schedeldak openbreken en de gedachten uit de hersenvezels trekken.’ Kun je niet in een hoofd kijken en vermoed je dat daar verkeerde gedachten zitten? Hak het dan af.

Het alziende oog was nu niet langer van god, maar van de staat. Daarmee landen we bij het bouwwerk dat de NSA weer zo in de belangstelling heeft geroepen, Jeremy Benthams Panoptikon, of alziend ‘controlehuis’. Dit bouwplan, een koepel waarin de geobserveerden geïsoleerd zitten opgesloten, met in het midden een centrale toren voor de observerenden, is nooit veraf als het om staatscontrole gaat. Michel Foucault promoveerde het panoptikon, dat massa’s in het gareel brengt alleen al doordat ze zich bekeken wanen, in 1975 tot metafoor voor de disciplinerende werking van het kapitalisme. Een paar jaar geleden beschreef Hans Achterhuis hoe krimpende overheden in het consumptietijdperk hun ontketende burgers in de gaten houden met pasjes, camera’s en elektronische dossiers – controle vervangt vertrouwen.

Maar de panoptische gedachte heeft ook het omgekeerde van disciplinering teweeg gebracht, schrijft Schneider: het verlangen dat juist iedereen je wangedrag zal zien. Hij vertelt over een moordenaar en toneelschrijver, Ernst Wagner (1874-1938), die hartstochtelijk wenste dat hij een filmopname van zijn moorden had. De reden? ‘Vele mensen zullen mij en mijn daden leren kennen.’ Wagner is het archetype van de lone wolfs die al schietend of bommen leggend de hoofdpersonen worden van door hen zelf gecreëerd terroristisch theater. Laat anderen de lucht in vliegen, dan kom je zelf zeker on air.

Even een stapje terug naar de volgende fase in de glasproductie: de bouw van glaspaleizen in de Belle Époque. Het eerste was Crystal Palace, het pronkstuk van de wereldtentoonstelling in Londen in 1851. Glazen galerijen en tentoonstellingsruimtes waren de etalages en flaneerboulevards voor de nieuwerwetse industriële producten en de eerste shoppende massa's. Later werden het ook de stolpen waarin geëxperimenteerd werd met sociale utopieën: plantenkassen voor het opkweken van de nieuwe mens. Crystal Palace was de eerste argeloze verbeelding van de gedachte dat architectuur een sociale utopie teweeg kan brengen – mits er de juiste lichtval is. Het sociale experiment van de nieuwe mens onder een stolp keert anno 2014 terug als entertainmentproject – in januari begint John de Mols nieuwe tv-programma Utopia, waarin kandidaten een bestaan moeten opbouwen onder een glazen koepel.

Zorgwekkend

Natuurlijk waren er altijd sceptici. De Russische schrijver Fjodor Dostojevski moest niets hebben van de hordes mensen die in 1863 ‘gehoorzaam’ uit de hele wereld samenstromen om Crystal Palace te zien. ‘Ik ben bang voor dit bouwwerk, misschien omdat het van kristal en eeuwig onverstoorbaar is, en omdat het onmogelijk is er heimelijk je tong tegen uit te steken.’ Al voor de twintigste eeuw heeft Dostojevski in de gaten dat het zorgwekkend is, als een transparantiedroom werkelijkheid wordt.

Ook Schneider vreest de totale transparantie. Van ‘transparantie-utopist’ Julian Assange of de kortstondig in Duitsland bloeiende piratenpartij die de totale vrijheid (lees: kostenloosheid) op internet voorstaat, moet hij dan ook net zo min iets hebben als van de NSA.

De transparantiedroom, eeuwen slechts aanwezig in de verbeelding, lijkt in onze tijd van glasvezelkabel en mobiel netwerk werkelijkheid geworden. We leven in een digitaal panoptikon. De bouw daarvan was technisch zeer complex en ging gepaard met een fikse concentratie van economische macht en een versterking van staatsmacht.

Naarmate meer mensen dat doorkrijgen omdat nu ook de privacy van bedrijven en geheime diensten wordt geschonden, speelt zich een openlijker krachtmeting af tussen surveillanten en klokkenluiders, voyeurs en exhibitionisten, dataslur pende adverteerders en de digitale kudde die zomaar tot een boycot kan besluiten. Maar gelijk zijn de verhoudingen niet. Volgens de Rotterdamse filosoof Henk Oosterling zijn de hedendaagse Crystal Palaces de met donker spiegelglas beklede hoofdkantoren van bedrijven die alleen maar transparant lijken, naar het niet zijn.

Schneider vreest dat de democratische arena bij deze krachtmeting geen rol van betekenis meer speelt, maar in mineur eindigen wil hij duidelijk niet. Hij vestigt zijn hoop op de mens, die altijd meer zal zijn dan de som van zijn metadata en Facebook-berichten. ‘De kern van de mens is niet afluisterbaar,’ schrijft hij.

Dave Eggers is minder optimistisch. Zijn hoofdpersoon in The Circle maakt de slogans van het bedrijf Secrets are Lies, Privacy is Theft en Sharing is Caring tot haar levensmotto’s. Ze maakt zich volledig transparant, maar al doende verliest ze haar ziel. Stel, Momos deed een luikje open in Mae’s borstkas, zou daar dan iets anders te zien zijn dan leegte?

Uiteindelijk is Mae geen zelf meer – alleen nog een selfie.