De Turkse verslaving aan het wilde kapitaal

Leidt de politieke crisis in Turkije ook tot een economische crisis? Internationale banken en beleggers vertalen de jongste ontwikkelingen rond de regering-Erdogan en het daarmee samenhangende corruptieschandaal slechts naar één variabele:What’s in it for me?

Niet veel goeds, zo te zien. De Turkse lira bereikte vanmorgen een nieuw diepterecord tegenover de Amerikaanse dollar van 2,1370 lira per dollar. Die val is symbolisch voor de precaire toestand waarin het land in economische zin al een tijdje verkeert. Turkije bleek, samen met landen als Brazilië, India en Indonesië deze zomer al kwetsbaar. Het voornemen van de Amerikaanse bank, de Fed, om het monetaire beleid wat in te tomen en de steunaankopen van Amerikaanse obligaties te verminderen, leidde toen al tot een uittocht van het snelle geld uit deze landen.

De kwetsbaarheid ligt hier voornamelijk in een dubbeltekort. Er is in Turkije zowel een bescheiden tekort op de begroting (2,3 procent in 2014) als een enorm tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans.

Waarom? Het land heeft volgens het Internationale Monetaire Fonds in 2014 een lage spaarquote van maar 12,9 procent van het bruto binnenlands product. Om een gewenste economische groei te bewerkstelligen en te onderhouden van 4 procent zijn jaarlijkse investeringen nodig van 20,1 procent van het bbp. En dus moet het verschil tussen investeringen en besparingen, 7,2 procent, worden aangezuiverd vanuit het buitenland. Dat geeft zo een tekort op de lopende rekening van betalingsbalans van ruim 7 procent.

Dat is al aan de hoge kant. Maar het is vooral de aard van dat buitenlandse geld dat het verschil kan maken. Komt het voornamelijk in de vorm van directe buitenlandse investeringen in bedrijven en projecten, dan is dat geld uitdrukkelijk bedoeld om voor de lange termijn in Turkije te blijven. Maar deze vorm heeft het geld niet: het is voor het overgrote deel kortlopend geld dat op zoek is naar de hoogste opbrengst. Als dat vandaag Turkije is, prima. Als dat morgen elders is, dan vertrekt het in gestrekte draf. In dat laatste geval komt er een druk op de munt, de lire, die in de regel leidt tot een oplopende rente. En het is die hogere rente die de economie dan weer drukt.

Tel daarbij op dat de inflatie in Turkije, met 6,5 procent al aan de hoge kant is, en dat het vrijwel al zijn energie moet importeren. Dan is een neerwaartse druk op de lire is het laatste dat het land gebruiken kan.

In wezen is dit de economische geschiedenis van Turkije van de laatste decennia: perioden van relatief gunstige economische groei, die door de afhankelijkheid van kortlopend buitenlandse financiering bruut worden onderbroken door wilde kapitaalstromen. Waarna het infuus volgt van het Internationale Monetaire Fonds (IMF).

Het is dan ook geen wonder dat de Turkse centrale bank van experiment naar experiment holt om er een kuur tegen te vinden. Het monetaire beleid is nu dermate ingewikkeld dat zelfs het IMF het complex noemt, en er nog begin deze maand een hele studie aan wijdde (Selected Issues Paper, december 2013).

Wat werkelijk nodig is, is een nationaal politiek en economisch klimaat waarin échte, duurzame, buitenlandse investeerders de stabiliteit en voorspelbaarheid aantreffen die zij zoeken. Bestuurlijk, juridisch en informeel.

Goed plan. Maar op de corruptieranglijst van Transparancy International staat Turkije op de 53e plaats, net boven Georgie en Lesotho, en vlak onder Rwanda, Mauritius en Maleisië. Dat betekent dat er nog veel werk te verzetten valt – hetgeen wordt onderstreept door het grootschalige corruptie-onderzoek dat ten grondslag ligt aan de politieke ophef van nu. Geen wonder dat het snelle geld liever even elders kijkt.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.