De enige archeologe van Somaliland

Als 14-jarige Somalische vluchteling kwam ze naar Zweden. Nu werkt ze als archeoloog in Somaliland.

Sada Mire is de enige archeologe van Somaliland. „Dat betekent vaak kiezen tussen wetenschappelijk onderzoek doen of actie voeren,” zegt ze vanuit haar woonplaats in Groot-Brittannië. „Op het ogenblik ben ik bijvoorbeeld meer actievoerder.” Ze stimuleert toerisme naar Somaliland, door het erfgoed van het land onder de aandacht te brengen. Zoals de door haar zelf ontdekte 5.000 jaar oude prehistorische rotskunst van Dhambalin. Op een oppervlak van twaalf bij vier meter zijn in rood en wit giraffes, honden, slangen, runderen,schapen en jagende mensen afgebeeld. Sommige dieren hebben geen kop.

De vijfduizend jaar oude afbeeldingen van mensen en dieren zouden normaal gesproken tot het UNESCO Werelderfgoed kunnen horen, meent ze. Maar Somaliland, dat zich in 1991 aan het begin van een burgeroorlog onafhankelijk heeft verklaard, is internationaal niet erkend.

Het verhaal van Sada Mire de archeologe is ook dat van Sada Mire de vluchtelinge. Aan het begin van de Somalische burgeroorlog werd haar vader, een politieagent, vermoord. Haar moeder vluchtte met Mire en haar tweelingzus naar Zweden.

„Om mezelf en Zweden beter te leren kennen ben ik na de middelbare school archeologie gaan studeren. Als vluchtelinge voelde ik me inferieur: afkomstig van een mislukt volk uit een mislukt land was ik zelf een voorbeeld van die mislukking. Maar door onderzoek naar negentiende-eeuws Zweden ontdekte ik dat de Zweden vergelijkbare ervaringen hebben gehad: gedreven door armoede zijn vele Zweden geëmigreerd; ook zij hebben in een vreemd land een nieuw leven moeten beginnen. Die kennis zorgde ervoor dat ik me beter op m’n plaats voelde in de Zweedse maatschappij.”

Hoewel ze zich in archeozoölogie specialiseerde en zich de historische Scandinavische fauna eigen maakte, bleef ze zich ook met haar Somalische wortels bezighouden. Na haar afstuderen vertrok ze naar University College London om te promoveren op rituele landschappen in de Hoorn van Afrika.

In 2007 reisde ze voor het eerst naar Somaliland om er archeologisch onderzoek te doen. Tot haar verbazing en ontsteltenis ontdekte ze dat het archeologisch erfgoed verwoest en geplunderd werd en dat de inwoners van Somaliland zich er niet druk om maakten. Door gesprekken met de lokale bevolking kwam ze erachter dat die anders tegen erfgoed aankeek. „Voor hen is het iets van de blanke westerling.”

In de koloniale tijd waren het Britse officieren die in het noorden ruïnes in de buurt van hun post gingen onderzoeken, maar er was geen systematische aanpak, er was geen contact met de lokale bevolking en opgegraven objecten werden meegenomen naar Groot-Brittannië. In het zuiden bouwden de Italianen in 1934 in Mogadishu weliswaar een museum, maar dat was vooral etnografisch van aard en had weinig te maken met het verleden. Na de onafhankelijkheid van Somalië in 1960 gingen buitenlandse archeologen en UNESCO aan het werk, ook nu zonder de lokale bevolking erbij te betrekken. Toen de burgeroorlog uitbrak organiseerden de warlords illegale opgravingen om hun strijd te financieren.

Mire ontdekte dat de Somaliërs geen moeite met het plunderen van archeologische vindplaatsen hebben omdat ze onder erfgoed iets anders verstaan dan monumenten en oude voorwerpen. „Voorwerpen zijn maar tijdelijk en gaan kapot. Dat is niet erg zolang je maar de kennis en vaardigheden hebt om nieuwe te maken. Die kennis en vaardigheden heb je nodig om te overleven. Dat is het erfgoed dat moet worden doorgegeven.” Voor Mire was dat reden om wat ze de knowledge-centred approach noemt in het leven te roepen. „Als ik een foto van een duizenden jaren oude pot laat zien, vertellen ze me hoe hun grootmoeder zo’n pot maakte, waar ze de beste klei vandaan haalde en hoe ze hen leerde zo’n pot te maken. Allemaal dingen die ik als archeoloog wil weten, als ik ergens een scherf vind. Door hun kennis en vaardigheden te waarderen kan ik vervolgens mijn archeologische informatie kwijt. Dat het voor mij belangrijk is dat een archeologische vindplaats niet verstoord wordt. Maar ook dat zo’n vindplaats toerisme kan trekken en hun economisch voordeel kan brengen.”

Na zes jaar heeft Mire honderd nieuwe vindplaatsen ontdekt. Ze heeft verspreid over het land vijftig lokale mensen opgeleid om die vindplaatsen in kaart te brengen en te beschermen. Ze is niet langer in overheidsdienst; CNN, de BBC en TEDx hebben haar ontdekt. „Ik heb Horn Heritage Charity opgericht en kan nu zelf fondsen werven. Met de organisatie CyArk zijn we bijvoorbeeld bezig om rotstekeningen digitaal vast te leggen. Dat vraagt nu veel tijd, maar ik kijk er naar uit om straks ook weer wetenschappelijk onderzoek te doen.”