Broeders

Ik zat jaren geleden in een ambulance. Voorin. „Dat is eigenlijk niet de bedoeling”, had de ambulancebroeder vooraf nog gezegd. Er waren die avond wel ergere dingen gebeurd die me eigenlijk niet de bedoeling leken en ik was niet speciaal van plan om een gewoonte te maken van het meerijden in ambulances, toch probeerde ik nog iets dankbaars in m’n blik te leggen voor ik instapte. Toen we met een rotgang door Amsterdam-Oost reden, op weg naar het OLVG, kon ik gek genoeg alleen maar denken: zo snel ga ik nooit meer door Amsterdam vervoerd worden, dit is een bijzonder moment, ervaar het, onthou het. Maar aangezien ik ook bang was dat er achterin iemand lag te sterven, weet ik nu alleen nog maar dat ik die gedachte had en niet meer hoe de Wibautstraat eruit ziet wanneer je er heel hard doorheen rijdt. Ik werd ook enigszins afgeleid door de broeder naast me die, net voordat we er waren, zei: „Zo ga je ook niet echt lekker je weekend in, hè?” Ik hoopte niet dat hij daar daadwerkelijk een antwoord op verwachtte. Achterin lag een vrouw die zojuist een zelfmoordpoging had gedaan. Naast haar en de andere ambulancebroeder die haar verzorgde, zat haar zoon, een vriend van mij, die ik die avond had gebeld om te vragen of we nog wat leuks zouden gaan doen. Het was immers weekend en dat moet je dus ‘lekker ingaan’. Ik bleek door zijn 1-1-2 gesprek heen te bellen. Toen hij ervan verzekerd was dat de ambulance onderweg was, had hij mij maar opgenomen, binnen 12 seconden uitgelegd wat eraan de hand was en gevraagd of ik naar hem toe wilde komen. Of ik dat wilde heb ik me niet afgevraagd.

Laat ik nu meteen zeggen dat dit allemaal goed is gekomen. De moeder leeft nog en is daar gelukkig ook blij om. Haar zoon lijkt alles ook goed verwerkt te hebben en we zijn allemaal nog steeds heel goed bevriend. Ik vond het een van de raarste en naarste avonden uit mijn leven, maar zo was het nu eenmaal, en voor mij was het natuurlijk van alle betrokkenen nog het minst traumatisch.

In Het Parool las ik deze week dat er sinds de privatisering van de Amsterdamse ambulancezorg veel onvrede bestaat onder het personeel. De werkdruk is toegenomen en de medewerkers hebben het gevoel dat er op van alles wordt beknibbeld, al wordt dit door de directie ontkend. Anonieme medewerkers vertellen echter dat er door de drukte soms niet eens tijd is om te eten of ruimte is voor emotioneel herstel na een heftig ongeluk. Ik dacht meteen weer aan ‘mijn eigen’ broeder van toen. En dan niet alleen aan dat vreemde gesprek , maar vooral aan hoe zonder hem de moeder van mijn vriend misschien niet meer geleefd zou hebben. Ambulancebroeders, meestal de eerste redders in nood, vergeet je nooit meer (en wat ze zeggen blijkbaar ook niet) en belangrijker is dus – ik zeg het nog maar eens: ze redden levens. Het lijkt me dan ook van cruciaal belang dat ze op zo’n moment geen honger of last van onverwerkte trauma’s hebben. Dit zijn mensen voor wie goed gezorgd moet worden – wie zorgt er anders voor ons?