Adri kan nogal eens lastig zijn

De PvdA-senator verklaart waarom hij tóch instemde met het woonakkoord

Adri Duivesteijn: „Wat in de formatie is uitgeruild tussen VVD en PvdA is geen hervorming van de woningmarkt, maar een sanering van de overheidsfinanciën.” Foto Robin Utrecht

„Ik hoef voor niemand meer door de knieën te gaan”, zegt Adri Duivesteijn met een grijns. „Al heb ik dat eigenlijk nooit gedaan.” Hij is net voor de fotograaf op een laag stoeltje gaan zitten en volgt braaf diens instructies op. Voor de foto heeft hij zijn sloffen verruild voor nette schoenen en zich snel geschoren. Maar het jasje dat zijn vrouw voor hem heeft gehaald, laat hij hangen. Hij houdt liever zijn wollen vest aan. Op tafel liggen essays over volkshuisvesting, want daar wil Duivesteijn over praten. Niet over politieke spelletjes.

Vorige week werd Adri Duivesteijn de meest befaamde senator van Nederland, toen hij dreigde de verhuurdersheffing van minister Stef Blok (Wonen, VVD) af te schieten. Daarmee zou hij miljardenbezuinigingen van het kabinet – en het kabinet zelf – in gevaar hebben gebracht. Na een marathondebat en zweterig achterkamertjesoverleg in de Eerste Kamer stemde de PvdA’er toch in, zonder ogenschijnlijk veel te hebben binnengehaald.

De wet werd met 38 tegen 37 stemmen aangenomen. Er kwam geen ‘nacht van Adri’. Zwichtte hij voor de partijdruk? Werd hij inhoudelijk overgehaald? Of was het allemaal een toneelstukje geweest? Die vragen bleven in de senaat onbeantwoord.

„Er was een zeer reële dreiging dat ik tegen zou stemmen. Het heeft heel weinig gescheeld”, zegt Duivesteijn. „Als de gesprekken met mij puur op machtspolitieke gronden waren gevoerd, zou ik nooit van mijn leven akkoord zijn gegaan. Voor dat soort druk ben ik niet gevoelig. Daar heb ik een te grote politieke hardheid voor. Daar heb ik te veel training voor.”

Het is niet de eerste keer dat Duivesteijn voor vuurwerk binnen en buiten zijn eigen partij heeft gezorgd. Hij is „lastig”, zegt hij zelf, en nogal overtuigd van zijn eigen gelijk. Waar Adri is, is gedonder. Dat was algemeen bekend toen hij afgelopen februari zitting nam in de Eerste Kamer, waar de coalitie geen meerderheid heeft.

Duivesteijn (63) groeide, als zoon van een schoenmaker, op in de verpauperde Haagse Schilderswijk, waar hij het als jonge buurtactivist al opnam tegen erbarmelijke leefomstandigheden. In 1970 sloot hij zich aan bij de Partij van de Arbeid en ging de lokale politiek in. Na een interne PvdA-ruzie, over het nieuwe Haagse stadhuis, moest hij in 1989 aftreden als wethouder. Het kolossale witte stadhuis kwam er tot zijn grote vreugde toch. Duivesteijn werd in 1994 Tweede Kamerlid. Na een roerige tijd verliet hij Den Haag in 2006 om wethouder te worden in Almere. In die stad liet hij mensen met een laag inkomen zonder subsidie hun eigen huis bouwen.

Altijd heeft hij zich beziggehouden met ruimtelijke ordening en vooral volkshuisvesting. „Als ik nu terugkijk: wat is de invulling van mijn leven geweest? Ik ben niet anders dan bezig geweest om me in te zetten om de woon- en leefomgeving van mensen te verbeteren.” En hij is altijd een gedreven activist gebleven, die zijn podium benut om verandering aan te jagen – ook de „deftige” Eerste Kamer.

Hij vreest dat de leefbaarheid in veel wijken verslechtert door de maatregelen in het regeerakkoord en het woonakkoord met „gedoogpartijen” D66, ChristenUnie en SGP dat daarop volgde. „Wat in de formatie is uitgeruild tussen VVD en PvdA is geen hervorming van de woningmarkt, maar een sanering van de overheidsfinanciën.” Door de verhuurdersheffing af te romen bij corporaties, zullen ze nauwelijks meer investeren in woningen, is de angst.

Duivesteijn zette het debat in de Eerste Kamer op scherp door te dreigen met zijn tegenstem. „Ik had gehoopt, en er misschien zelfs wel op gerekend, dat het me zou lukken om de wet tijdelijk te maken. Als crisismaatregel kun je de heffing wel verdedigen, maar niet structureel.”

Waarom lukte dat niet?

„Als alleen PvdA en VVD in de regering zouden hebben gezeten, en in beide Kamers een meerderheid hadden gehad, dan waren de bijstellingen denk ik forser geweest. Maar de mentale ruimte bij de gedogers was er niet. Want ja, zij hadden toch iets goeds gedaan en dan gaat iemand anders ze vertellen dat het toch niet helemaal goed is. Dat soort psychologische aspecten en gekwetste ego’s horen er in dit vak allemaal bij.”

U hebt het in de onderhandelingen dus niet afgelegd tegen Blok, maar tegen D66, ChristenUnie en SGP?

„Dat is natuurlijk pijnlijk, maar het zou naïef zijn om te denken dat je wat je beoogt ook allemaal binnenhaalt. Dit zijn, zoals Den Uyl al zei, de smalle marges van de democratie.”

Een ingecalculeerde nederlaag?

„Als de politieke wil er is, is alles te realiseren. En ik heb niet verloren. Door de dreiging dat ik tegen zou stemmen, heeft er de afgelopen twee weken een inhoudelijk gesprek over het wonen plaatsgevonden dat zonder die druk nooit gevoerd was. En er is een aantal stappen in mijn richting gezet. Er komt eerder een evaluatie, er wordt gewerkt aan een investeringsfonds en – dat krijgt bijna geen aandacht – wooncoöperaties, waarin burgers zelf hun woonomgeving kunnen vormgeven, worden toegelaten in het stelsel.”

Dat was voldoende om te draaien?

„Wat ook meespeelde, was dat ik in mijn verzet werd toegejuicht door vrienden die mijn vrienden niet zijn. De oppositie was niet tegen omdat ze het met mijn kritiek en ideeën eens is, maar omdat ze het kabinet wil laten vallen. Ik ben hier tegen, maar als ik had tegengestemd, was wat ik wil bereiken niet dichterbij gekomen.”

Wat was het moment dat u omging?

„Uiteindelijk heeft Lodewijk Asscher mij denk ik over de streep getrokken.” Vicepremier Asscher was naar voren geschoven om te bemiddelen. Duivesteijn heeft niets dan „bewondering” voor hem. Maar meer details wil hij niet over het onderhandelingsproces vertellen.

De angst bestond ook dat als u uw zin zou krijgen, andere parlementariërs ook hun kans schoon zagen voor hun eigen hobby’s.

„Wat dit vooral heeft blootgelegd is dat één senator kan bepalen of iets doorgaat of niet, omdat er zulke smalle coalities gebouwd worden. Ik vind dat per definitie onwenselijk.”

Maakt dat niet dat senatoren minder machtig in plaats van machtiger zijn? Ze moeten wel instemmen.

„Het is in de Eerste Kamer in ieder geval minder vrijblijvend.”

Denkt u niet dat uw partij u met deze smalle marges een volgende keer niet meer op de lijst zet?

„Nou, als ik me daardoor zou laten leiden... Het is toch raar dat we er tegenwoordig vanuit gaan dat parlementariërs slaafs het regeerakkoord volgen? Er zijn veel te weinig politici die voor tegenkracht zorgen.”

    • Emilie van Outeren