Zijn wapen doodde overal

Van het automatische geweer AK-47 zijn er zeker 70 miljoen gemaakt // Het wapen, ontworpen voor een concours, is niet kapot te krijgen // De gisteren overleden uitvinder werd in Rusland gemythologiseerd

Correspondent Rusland

Michail Kalasjnikov leek net zo onverwoestbaar als zijn automatische geweer. Maar gisteren is de mythische uitvinder op 94-jarige leeftijd overleden.

Van de AK (Automaat van Kalasjnikov) zijn er de afgelopen halve eeuw zeker 70 miljoen gemaakt en nagemaakt. Ontelbaar veel mensen over de hele wereld zijn er mee doodgeschoten, verlamd en verminkt. Het wapen geldt als Ruslands succesvolste exportproduct.

Het geweer ging in 1949 in een wapenfabriek in de stad Izjevsk aan de rand van Europees Rusland in productie. Het kenmerkende banaanvormige magazijn zorgt ervoor dat de kogels (dertig stuks in het geval van de bekendste editie AK-47) soepel kunnen worden doorgeladen en nergens achter blijven steken.

In zijn vaderland is uitvinder Michail Kalasjnikov een held. Toen hij in juni last kreeg van trombo-embolie in zijn longen, werd hij met een regeringsvliegtuig vanuit provinciestad Izjevsk naar Moskou overgebracht.

Op Kalasjnikovs verjaardag besteedde de televisie voor de zoveelste keer eervol aandacht aan de man die het ‘geniale idee’ ontwikkelde van een automatisch geweer dat eenvoudig in gebruik en in onderhoud was, niet kapot kon en ‘met voldoende precisie’ schoot.

Maar volgens de Amerikaanse journalist C.J. Chivers, die in 2011 het boek The Gun schreef over het ontstaan van de Kalasjnikov, is de werkelijke geschiedenis ingewikkelder. Hij beschrijft de uitvinder als product van de Stalintijd, en diens gasgedreven geweer als een laatste stap in een lange evolutie.

Michail Kalasjnikov was sergeant in een van vijftien teams die in de jaren 40 in het diepste geheim automatische wapens ontwierpen in het kader van een door de Sovjetstaat uitgeschreven concours.

Het ontwerp van de AK-47 (waarbij 47 staat voor het jaar 1947) moet daarom eerder beschouwd worden als een collectieve prestatie, dan als resultaat van individuele vindingrijkheid, betoogt Chivers.

De legerpropagandamachine van de Sovjetunie mythologiseerde de uitvinder, die nooit een technische opleiding had gehad, in de decennia erna tot voorbeeld van proletarische genialiteit. Chivers concludeert dat Kalasjnikov de rest van zijn lange leven episodes uit zijn verleden heeft moeten verzwijgen en verbasteren, om maar in het plaatje van modelburger en held van het vaderland te passen.

De AK is wereldwijd veel populairder geworden dan de Amerikaanse M16 of andere alternatieven. Vooral in Afrika en het Midden-Oosten, onder militanten, criminelen, kindsoldaten en in burgeroorlogen.

Osama bin Laden en Hugo Chávez lieten zich met hun AK’s fotograferen. Mozambique zette het geweer op de nationale vlag. En de Amerikaan Walter B. Slocombe, Irak-regeringsadviseur in 2003, merkte op dat „elke inwoner van Irak ouder dan twaalf met gesloten ogen een Kalasjnikov in- en uit elkaar kan halen en er redelijk mee schieten”.

In de Russische lezing is het succes van de AK te danken aan zijn gebruiksgemak, betrouwbaarheid en onverwoestbaarheid. Chivers concludeert dat de Sovjets de internationale markt eenvoudigweg overspoeld hebben in de vele gebieden in de wereld waar kapitalisten en communisten om invloedsferen streden.

Het gecanoniseerde levensverhaal van Kalasjnikov, die nooit met pensioen ging, past naadloos in Poetins nieuwe leer van deugdzaam patriottisme. Sinds 2009 mocht hij zich Held van Rusland noemen.

Eind mei werd bekendgemaakt dat de uitvinder zijn achternaam ‘gratis’ aan de staat had geschonken. De wapenfabriek in Izjevsk heet sinds juli officieel ‘concern Kalasjnikov’.