Nymphomaniac prikkelt vooral het intellect

Eerst maar even een misverstand uit de weg ruimen. Nymphomaniac I gaat nauwelijks over seks. En pornografisch, laat staan een pornofilm is het ook al niet – ondanks seksueel expliciete beelden. Al kan dat komen doordat we van Lars von Triers als dusdanig aangekondigde film nu een (zelf)gecensureerde versie in de bioscopen krijgen – het is door Von Trier en zijn vaste producent-genius Peter Aalbæk Jensen voor wereldwijde bioscoopuitbreng geschikt gemaakt. Het eerste deel van het epos (in januari volgt het slot) prikkelt nauwelijks de zinnen. Opwindend voor het intellect is het echter beslist.

Het in totaal uit acht hoofdstukken opgebouwde relaas (gelijk aan het aantal ‘stoten’ waarmee tienermeisje Joe ontmaagd wordt) bestaat uit een lang gesprek tussen de volwassen Joe (een onverschrokken Charlotte Gainsbourg) en de joodse boekenwurm Seligman (Stellan Skarsgård). Flashbacks kleuren het verhaal over Joes seksuele (ver)wording. Maar Von Trier gebruikt ook archiefmateriaal, encyclopedische weetjes, impressionistische beeldflitsen, kortom de hele filmische trukendoos, om hun therapeutische samenspraak te illustreren. De lichamelijk onervaren Seligman trekt voortdurend parallellen tussen Joes seksuele jacht en het vliegvissen; een sport waar hij net als Von Trier zelf, expert in is.

Het duo Joe en Seligman representeert een aantal dualiteiten die de vraag onderzoeken die bij Von Triers altijd centraal staat, namelijk: wat is het ‘Ewig Weibliche’? Staan mannelijk en vrouwelijk en lichaam en geest wel tegenover elkaar? Is Joe seksverslaafd en Seligman aseksueel, of zijn het alleen maar verschillende gradaties van manieren om je te uiten? Freud is nooit ver weg bij Von Trier. Joes vader is een warmbloedige man met een bijzondere voorliefde voor bomen, met name de es, in de Noorse mythologie symbool voor levenskracht. Haar moeder is frigide. En zo bevat elke scène, elke dialoog een grapje, een weetje, een diepere bedoeling. Al weet je bij Von Trier nooit zeker of hij echt op zoek is naar duiding en betekenis, of dat hij met al die kennis net zo hard wil provoceren als met bijvoorbeeld een beeldengalerij van slappe piemels of penetratieshots – waarvoor hij al sinds zijn ‘Dogma’-doorbraakfilm The Idiots uit 1998 digitale trucage en ‘body doubles’ gebruikt.

Nymphomaniac I roept ook veel vragen op. Wat wil Von Trier nu eigenlijk zeggen met zijn seksuele exploraties? Of is het voor hem genoeg om de toeschouwer deelgenoot te maken van zijn eigen worsteling en zoektocht naar hoe in onze cultuur misogynie en philogynie vaak elkaars gestalte aannemen en er voor mannen en vrouwen andere normen gelden? Nymphomaniac is door hem ook wel het slotdeel van zijn ‘depressie-trilogie’ genoemd (na Antichrist en Melancholia), waarin hij zijn eigen trauma’s, neuroses en fobieën onderzoekt. In al die films speelt een streng besef van schuld en zonde een rol. Wat dat betreft is het dan wel toepasselijk dat hij akkoord ging met het uitbrengen van deze ‘gekuiste’ variant van Nymphomaniac, terwijl filmliefhebbers binnen twee maanden de ‘echte’ film kunnen zien. Nymphomaniac gaat zoals gezegd niet over seks, maar over een groot en pijnlijk verlangen.