Kerstig maar niet zoet

Eindelijk // Een kerstverhalenboek van Nederlandse bodem // Maar hoe reageren onze serieuze schrijvers op een kleffig warme kerstgedachte?

Verslaggever

Het heeft lang geduurd voordat het literaire landschap dit najaar eindelijk verrijkt werd met Het groot kerstverhalenboek, met 35 bijdragen van Nederlandse schrijvers. Hoe komt dat? Tommy Wieringa lijkt een antwoord te geven, in het openingsverhaal van de bundel. Hij schrijft over een man die een (kerst)verhaal probeert te schrijven over neerdwarrelende sneeuwvlokken die smaken naar aardbeienbavarois – een sensatie van een verliefde man met Kerst. Geen vruchtbare bodem voor een verhaal, merkt hij: die kerstige sensatie was ‘niet overdraagbaar’.

Een teken aan de wand? De kerstboodschap staat, zo is de suggestie, haaks op Literatuur. De heersende literaire moraal is immers bang voor warm sentiment, wars van een hoopvolle boodschap, en terugdeinzend voor de gezellige Coca-Colakerst. Dat is geen literatuur, dat is dom bedrog. In Ware Literatuur loopt het slecht af , niet kerstig.

Maar wat moet een literaire kerstverhalenschrijver dán? Zich toch in zo’n Amerikaanse, onliteraire mal laten duwen? Het groot kerstverhalenboek laat zich lezen als een studie-in-verhalen naar het antwoord op die vraag. De bundel bevat ten eerste de Youpiaans satirische verhalen: de elitaire standaardreactie op de sneue klootjesvolk-Kerst. Lekker kankeren op de hypocriete poppenkast die het diner bij de schoonouders is. Dat levert niet de sterkste bijdragen op – jammer, want die verhalen zijn talrijk.

Interessantere bijdragen neigen meer naar de kerstdefinitie van dichter Ingmar Heytze. Kerstmis is bij hem ‘een gevoel dat je toe moet durven laten door je cynisme te laten varen en je hart open te stellen voor de mensen die belangrijk voor je zijn’. Flink wat kerstverhalenschrijvers doen een poging om hun hart zo open te stellen, zónder zoet te worden.

Zo is het kerstdiner in Vrouwkje Tuinmans mooie verhaal ook wat troosteloos (een vegetariër krijgt een gesmolten stuk camembert, de normale mensen eten hazenrug), maar de hoofdpersoon ondergaat het gelaten, in het besef dat ze er beter maar het beste van kan maken: ‘Ik probeerde er zo langzaam mogelijk van te eten. Voor de gezelligheid.’ Maartje Wortel schrijft over een eenzame Kerst in een psychiatrische kliniek: geen feestelijke omgeving, geen kerstgedachte, wél een bitterzoet tegenwicht tegen cynisme. En ook het verhaal van Hanneke Hendrix benadrukt de tragische kant van de feestdagenvrolijkheid, maar weet ons met een hoopvolle strohalm de feestdagen in te sturen.

Misschien wel het sterkste verhaal is van Erik Nieuwenhuis: over een man met een verbroken relatie die zich eenzaam bezat en naar het ouderlijk huis van zijn ex gaat. Dat lijkt een eenvoudig recept voor tragiek – maar dat wordt het niet.

Zo is de verhalenverzameling een boeiende thermometer van de literatuur, die aantoont dat onze schrijvers best warme, kwalitatieve literatuur kunnen schrijven. Is goede, serieuze literatuur kil en tragisch? Weg met dat vooroordeel! Wat dat betreft is het alleen jammer dat er meer jonge en bereidwillige dan toonaangevende, belangrijke schrijvers in de bundel opgenomen zijn. Zou de literaire drempel bij een volgende editie nog een tandje hoger mogen? Dan zou Het groot kerstverhalenboek zomaar kunnen uitgroeien tot een goede traditie: een jaarlijkse literaire staalkaart én het ‘Urbi et Orbi’ van de literatuur.

    • Thomas de Veen