Heilige regen

Schrijver Anton Dautzenberg schreef een kerstverhaal voor nrc.next // Over een man die in de kerk dineert en een louterende selfie maakt // „Het lijden, daar gaat het om.”

illustratie roel venderbosch

De wierook van de avondmis is nog goed te ruiken: een strenge, maar vergevingsgezinde geur. Ik schuif de eikenhouten stoel naar achteren en neem plaats. De tafel staat vandaag dichter bij het Maria-altaar dan gewoonlijk. Het flakkerende licht van de wenskaarsjes geeft de sobere dis een te feestelijke uitstraling. Op het menu: een afgedekt pannetje soep, een schaaltje met brood, twee kuipjes jam, een appel en een karaf gevuld met water. Niks mis mee, maar af en toe verwacht je als tegenprestatie wat meer luxueuze spijzen. Zeker met Kerst.

Ik ben alleen, maar kijk voor de zekerheid toch om me heen – inderdaad: niemand te zien. Op het altaar branden zes kandelaren. Het koor ziet er weer sinister uit in het halfdonker, alsof de barokke stilte zich elk moment met mij kan gaan bemoeien. Uit ervaring weet ik dat dit niet gebeurt, maar de dreiging blijft.

Voor het uit wit steen gebeitelde beeld van een mollige Maria met een androgyn kindje op haar arm staan bossen bijna verwelkte bloemen. Wellicht een trouwerij. Waarom wil een echtpaar zich toch zo graag aan een fictieve hogere macht binden? Ze zullen hun partner waarschijnlijk niet écht vertrouwen – ze kennen zichzelf. Ze willen zich in geval van nood ergens op kunnen beroepen. Een dubbele nederlaag, dat weten ze op voorhand, en toch vouwen ze gezamenlijk hun handen – de eerste gezamenlijke leugen is een feit.

Ik til het dekseltje van de pan: tomatensoep. Door de gestolde bovenlaag ziet de inhoud eruit als geronnen bloed – niet echt smakelijk. Met iets te veel kracht sluit ik het pannetje; het blikkerige geluid verkent brutaal de ruimte. Verschrikt kijk ik over mijn schouder: aardedonker, uiteraard. Bij het terugdraaien van mijn hoofd valt het me pas op dat ik exact naast kruiswegstatie nummer zeven zit, in plaats van nummer zes. ‘Jezus valt voor de tweede maal.’ De Romein hanteert met een sardonisch plezier de zweep. Het kan het slachtoffer zo te zien weinig schelen.

Ik ben erg laat vandaag; op het kruispunt was er veel gedoe. ’s Avonds is er vaak gedoe, maar dit keer waren de verdronken verlangens moeilijk te beteugelen. Je hebt van die avonden. Mijn rol op het kruispunt is ook van dien aard dat ik me niet aan mijn verantwoordelijkheden kan onttrekken.

De lauwe soep laat ik staan. Van het brood eet ik één sneetje, met rozenbotteljam. Het halflege kuipje leg ik naast het volle.

Maria kijkt me opvallend neutraal aan. Ik knipoog en bijt in de appel; de vrucht is een tikkeltje te zuur. Appels kunnen mij niet zoet genoeg zijn; de Fuji en de Royal Gala zijn mijn favorieten.

Het onhandig omarmde kindje heeft zijn ogen gesloten; het mag de lelijkheid van de wereld blijkbaar niet zien – een grapje van de beeldhouwer. Al die vrouwen (en soms mannen) die zo vroom mogelijk proberen over te komen – naar beneden getrokken mondhoeken, gefronste wenkbrauwen, kin omhoog, geloken ogen –, en vervolgens een theelichtje aansteken en dat o zo voorzichtig in de bak met zand plaatsen, da’s niks voor een klein jongetje met een beperkt toekomstperspectief.

Ik schuif de stoel naar achteren, sta op en loop met de appel in de hand langs de staties. De houten frames zijn keurig gelakt, de schilderijen slordig geschilderd – maakwerk van een behoeftige kunstenaar.

Ik loop door. De lijdensweg lost langzaam op in het duister, alsof de oorzaak van de martelgang niet gekend hoeft te worden. Het lijden, daar gaat het om. Nulla tenaci invia est via.

Mijn voetstappen doorboren de stilte, een prettige klank. En toen was er geluid…

Voor ik het in de gaten heb wandel ik al tapdansend door de linkerzijbeuk. Vreemd genoeg moet ik daarbij denken aan mijn allochtone buurman. We komen elkaar eigenlijk alleen maar tegen als het regent. ‘Slecht weer,’ zegt hij dan. ‘Nee hoor,’ is steevast mijn antwoord. ‘Regen is fijn, regen reinigt de ziel.’ Hij kijkt mij dan niet-begrijpend aan, elke keer opnieuw.

Nog net kan ik in het duister de sober versierde kerstboom en daarnaast de kom met wijwater onderscheiden. Ik doop de afgekloven appel royaal in het water van de stenen bladkelk en lik hem af. Dit herhaal ik drie keer. Vervolgens slinger ik het klokhuis naar het pijporgel. Een natte pong bevestigt dat ik goed heb gemikt. Mijn vochtige vingers haal ik door mijn krullen.

Vanaf hier ziet het door de kaarsen verlichte koor er een stuk zachtaardiger uit; de halfronde ruimte oogt aaibaar door de lichtgele gloed. Ook het hoofdaltaar lijkt me nu al uit te nodigen, klaar voor de rituele handeling.

Nog even niet. Straks, straks…

Op het kruispunt had ik vooral veel te stellen met een bejaarde vrouw; ze bleef maar zeuren over haar gesneuvelde vaas, en hoe ze die had gewonnen met rioolvechten, vroeger, toen er nog eerlijkheid was in de wereld. Nu is mijn taakopvatting behoorlijk ruim, maar over scherven wil ik het niet meer hebben, zeker niet met een oude vrouw. Uiteindelijk wimpelde ik haar af, met de smoes dat gebroken porselein een metafoor is.

Rioolvechten vind ik trouwens behoorlijk overschat, ook als cultureel fenomeen. Te eendimensionaal, te plastisch ook.

Via het middenschip slenter ik naar voren; met mijn rechterhand tik ik tegen de kerkbanken die ik passeer. Hier zaten een paar uur geleden nog mensen – mensen met wensen, zondige mensen, zondige mensen met kerstwensen, dienaren Godsch. Hun kruizen niet allemaal even rein. Angst kan spieren verlammen.

Bij de preekstoel blijf ik even staan, zoals wel vaker. De kronkelende wenteltrap bevalt me allerminst: te streng, te autoritair, te… Gewoon te. Ik ruk aan de robuuste leuning, opnieuw zonder succes. Na drie pogingen loop ik door.

Na een paar meter blijf ik aarzelend staan. Ik draai me om en loop terug naar de kansel. Het toegangsdeurtje is niet afgesloten. Met enkele grote stappen bereik ik de preekstoel. In de kleine ruimte is niks bijzonders te zien. Ik leun over de balustrade en kijk rond. Donker. Zal ik de leegte toespreken? Een preek tot het grote niets? Nee, laat ik me niet aanstellen. Snel weg hier.

Via de predella bereik ik het hoofdaltaar. De kandelaren pak ik op en zet ik aan de uiteinden van de uit acaciahout gesneden tafel, aan elke kant drie kaarsen. Met een karatebeweging zwiep ik mijn linkerbeen over enkele vlammen. Ze flikkeren vervaarlijk op, maar waaien niet uit.

Ik ga met mijn rug tegen het altaar zitten.

Hoe zou het met mijn moeder zijn? Zou ze goed kunnen slapen?

Sinds we elkaar begerig aankeken, zijn we vreemden voor elkaar. Jammer, maar ergens ook wel beter; ’t vlees is sterker dan de wil – ik ken mezelf, en ik ken mijn moeder. Asinus ad lapidem non bis offendit eundem.

Ze redt zich wel.

Wat een immense ruimte; het middenschip is een perfecte plek voor trapezeartiesten, bedenk ik voor het eerst – waarom heb ik daar niet eerder aan gedacht? Lekker zwaaien boven de meelevende, pieuze hoofden. Je als een in een glitterjurkje verpakte Icarus naar het zenit laten stuwen door de opwaartse kracht van de bezielende gebeden van het gepeupel. Ja, dat zou mooi zijn. De mannen zouden bovendien onder de wapperende rokjes kunnen loeren – kijken of hun wens wordt geabsorbeerd door het schommelende kruisje. Voor de vrouwen: de bisschop zou er best een vruchtbare preek aan kunnen koppelen; er gebeurt zoveel tover daar boven.

Het is tijd.

Ik ga op het eeuwenoude altaar liggen, mijn ogen strak op het plafond gericht. In het koepelgewelf is een mozaïek gemetseld, een compositie van het eucharistische offer: een baardloze Jezus, omringd door twaalf knechten in weelderige gewaden. Een kleurrijk plaatje. Jezus houdt een gouden kelk omhoog. De knechten kijken behoorlijk onverschillig.

Ik knoop mijn hemd voorzichtig open, ontbloot mijn borst, leg mijn armen naast mijn heupen en sluit mijn ogen.

Mijn moeder zal zich zeker redden.

Concentratie.

De eerste steentjes schieten tegen mijn huid; ik voel hoe ze in mijn vlees snijden. Er volgen er nog meer, maar minder dan vorige week. Een stuk of twintig, schat ik.

Na een paar minuten is de heilige regen voorbij. Ik ga rechtop zitten en bekijk het resultaat. Opnieuw bijzonder. Met mijn gsm maak ik er een foto van. Daarna pulk ik de mozaïeksteentjes los; sommige zitten er diep in.

Ik leg een handjevol bebloede steentjes op het tabernakel achter het altaar.

De foto zal ik straks mailen.

Van A.H.J. Dautzenberg verschijnt op 23 januari 2014 bij Atlas Contact een nieuwe verhalenbundel: En dan komen de foto’s (336 blz., € 19,90).

    • A.H.J. Dautzenberg