Gesprek met mijn broer, de predikant

Met Kerst vieren christenen de geboorte van Jezus. Wat maakt die dag voor hen zo speciaal? Arjen van Veelen in gesprek met zijn christelijke broer.

Foto Peter de Krom

Mijn broertje Wouter is twee jaar jonger dan ik en een paar centimeter langer. We komen uit hetzelfde orthodox-christelijke gezin van zeven kinderen. We speelden voetbal op dezelfde trapveldjes. Qua nature and nurture lijken we veel op elkaar, maar we zijn ook heel verschillend. Hij heeft zijn leven gewijd aan de kerk en werd dominee; ik heb me juist uitgeschreven uit de kerk, omdat ik niet meer in God geloof.

Voor mijn broertje is dominee zijn niet zomaar een beroep, zoals journalist of bakker. Het is een roeping. Hij studeerde ooit Frans, maar brak die studie af en ging theologie studeren. Tijdens die studie werd hij „ongelofelijk geraakt door het evangelie”. Hij noemt een specifieke Bijbeltekst die zijn leven veranderde, 2 Korintiërs 13 vers 8: „Wij kunnen ons niet tegen de waarheid verzetten, wij kunnen ons er slechts voor inzetten.”

Zelf vetrok ik tijdens studietijd juist uit de kerk, als enige uit het gezin (wat me daar een buitenbeentje maakt). Ik was het niet eens met de morele regels van de kerk, die bijvoorbeeld vrouwen en homo’s achterstellen. Die seks vaak als zonde zien. En ik kon de verhalen uit de Bijbel niet rijmen met mijn verstand. Noem het een omgekeerd bekeringsverhaal.

Ik vroeg hem of ik hem mocht interviewen over wat Kerst voor christenen betekent.

We hebben op zich een goede verstandhouding, maar spreken elkaar niet vaak, en mijden dan geloofszaken meestal. Ik zei dat ik er geen debat van wilde maken, daar voelde ik weinig voor. Ik wilde laten zien wat Kerst betekent voor een orthodox christen zoals hij. Prima, zei hij.

Hij woont in Loenen aan de Vecht, een dorpje tussen Amsterdam en Utrecht. Hier preekt hij elke zondag voor ongeveer vijftig kerkleden. Hij woont in een pastorie, zoals het huis van een dominee heet, maar dat is gewoon een rijtjeshuis. Er staat een kerstboom in zijn woonkamer. En een speelgoed kerststalletje.

Hij stelt voor om het interview in het kerkgebouwtje te doen, even verderop. De kerk is gevestigd in een pand dat ooit een garage was, naast een Q8-tankstation. ‘Vecht & Angstel kerk’ staat er op, naast het logo van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt, waartoe de gemeente behoort. Dat is een relatief orthodoxe stroming. Vrouwen worden er niet toegelaten op de preekstoel, bijvoorbeeld, en homo’s mogen er niet trouwen.

Mijn broertje omschrijft zijn kerk als „vrolijk orthodox” en „eigentijds gereformeerd”. Veel mensen hebben een negatief beeld van de kerk, zegt hij. Dat de kerk vergrijsd is, naar binnen gericht, met moeilijk taalgebruik. En dat een dominee niet jong kan zijn en geen All Stars kan dragen (hij wijst naar zijn eigen schoenen).

Hij laat het zaaltje zien: houten vloer, preekstoel, klein orgeltje. Een kerk is een raar gebouw, zegt hij. Het wordt eigenlijk alleen op zondag gebruikt. De rest van de week staat het gebouw leeg. Hij wil dat veranderen: niet meer wachten tot de mensen naar de kerk komen, maar zelf naar de mensen toe. In de hal van de kerk hangt een poster van een filmavond. Hij vertelt dat hij die regelmatig organiseert voor het dorp, dan draaien ze hier films als Il y a longtemps que je t’aime of Invictus. Kijkhuisfilms. Er komen soms zo’n 50 mensen op af, ook van buiten de kerk.

Zijn kerkleden doen vrijwilligerswerk in een bejaardentehuis, waar een groep mensen woont die al jaren geen bezoek meer kreeg. Als predikant gaat hij regelmatig naar de vrouwengevangenis in Nieuwersluis. Daar geeft hij een introductiecursus in het christelijk geloof. „Ze vinden het heerlijk om even geen gevangenen te zijn, maar een ochtend koffie te drinken en taart te eten, die wij naar binnen smokkelen.”

Ook buiten het dorp helpt hij het evangelie verspreiden. Hij reisde een paar keer naar de Democratische Republiek Congo, waar zijn kerk evangelisatieprojecten ondersteunt onder de Twa-pygmeeën ten noorden van Kinshasa. De kerk deelt er mp3-spelers uit met daarop het evangelie vertaald in het Lingala, maar helpt ook bij de akkerbouw.

Stel dat we via een tijdmachine naar het jaar 30 van onze jaartelling zouden gaan en we Jezus zouden tegenkomen, wat voor iemand zouden we dan zien, denk je?

„Een hele normale vent, een man van vlees en bloed. Een timmermanszoon. Hij heeft nooit een boek geschreven, heeft geen verre reizen gemaakt, hoorde ook niet tot de elite. Naar men zegt vanaf zijn dertigste is hij gaan prediken. In die tijd werd het volk Israël, het door God uitverkoren volk, overheerst door de Romeinen. Het snakte naar een verlosser. En op zijn drieëndertigste is hij een tragische dood gestorven. Weinig opzienbarend.”

Weten we hoe hij er uit zag?

„Het enige wat de Bijbel er over zegt komt uit de profetieën van Jesaja. (Hij bladert in de Bijbel, naar Jesaja 53 vers 2b): ‘Hij had gestalte noch luister’, staat er. Dus: weinig opvallend. Over bijvoorbeeld koning David werd nog gezegd dat hij groot, sterk en knap was. Maar Jezus was gewoon een Jood uit de eerste eeuw na Christus. Als hij hier zou rondlopen zouden we zeggen: een allochtoon, iemand met een lichtgetinte huid, haha.”

Voor christenen betekent hij veel meer dan de historische figuur, de rebel die tegen de Romeinen in opstand kwam.

„Ja. De vier evangelisten, Mattëus, Marcus, Lucas en Johannes – gewone mensen zoals jij en ik – kwamen Jezus tegen en getuigen dat hij meer was dan alleen een mens. Dat ontdekten ze tot hun eigen verbazing. Als ik Jezus zou tegenkomen, zouden die twee elementen er zijn, denk ik: aan de ene kant het vertrouwde, menselijke, maar tegelijk ook het verbazingwekkende, het heilige.”

Een mens die God is?

„De Bijbel begint met het boek Genesis, met de schepping. De mens krijgt daarin een hele hoge positie, Gods ambassadeur op aarde, zijn bedrijfsleider. Maar de mens koos er voor om zonder God verder te gaan. Daardoor is de relatie tussen God en mens verstoord. Je hebt dus twee partijen tegenover elkaar staan: God en de mens. In het normale leven zou je dan bijvoorbeeld een mediator nodig hebben. Maar christenen geloven dat God zich via Jezus volledig heeft geïdentificeerd met ons, mensen. En dat, door wat Jezus deed, het weer goed komt. Dat is Kerst: God die het uit zichzelf goed maakt met ons.

Mandela, bijvoorbeeld, was ook een groot man en zal misschien nog eeuwen herinnerd worden. Voor de ruim twee miljard mensen die zich christenen noemen is Jezus meer dan een mooie gedachte of herinnering. Hij is een realiteit die hen op de been houdt.”

Wat bedoel je met realiteit? Mandela kon je tot voor kort nog aanraken, Jezus niet.

„Voor veel gelovigen is Eerste Paasdag, de dag dat Jezus uit dood opstaat, dichter bij dan gisteren. Die realiteit is een ervaringswerkelijkheid, en dus moeilijk over te brengen of in woorden te vatten. Jezus wordt de ‘eerstgeborene der doden’ genoemd – dus de eerste mens die uit de dood is opgestaan. Hij heeft de dood overwonnen. Wij hoeven hem en zijn herinnering niet levend te houden, maar hij houdt ons levend. Dat is het verschil.

Ik zit regelmatig in de auto en dan draai ik Sons of Korah, een Australische band, die de psalmen opnieuw op muziek heeft gezet. Als ik dan Psalm 19 hoor, over de schepping die zingt van God, lopen vaak de rillingen over mijn rug. Het is een geloofssprong dat er een God bestaat. Maar ik geloof gewoon niet dat het kwaad het laatste woord heeft, daar kan ik me niet bij neerleggen. De kerkvader Augustinus, die het geloof heel fel heeft verdedigd, zegt ook: ‘Ik geef het voor beter’. Zo sta ik er ook in.”

Deze Kerst ga je ook preken. Weet je al waarover?

„Ik vergelijk Jezus met een grote broer die op een dag op bezoek komt bij zijn jongere broer die helemaal in de kreukels ligt, drank, drugs. In plaats van hem te veroordelen, of hem uit te schelden, gaat hij de rommel opruimen. Dat vergelijk ik dan met Jezus’ komst op aarde: hij komt onder de mensen wonen om de rommel op te ruimen.”

Ik zag bij je thuis een kerststalletje staan met een os en een ezel. Is dat voor jou geen oneerbiedige kitsch?

„Volgens de Bijbel had hij ‘gestalte noch luister’, dus ik vind het niet zo oneerbiedig om Jezus zo voor te stellen. In Lucas 2 staat niets over de os en de ezel, alleen over de kribbe – een voederbak. Die rund en ezel zijn meer interpretatie achteraf, dat komt uit Jesaja 1: ‘Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht.’”

    • Arjen van Veelen