Staat in gesprek over claim ‘Srebrenica’

De Nederlandse staat is in gesprek over een schadevergoeding voor de nabestaanden van drie moslimmannen die in 1995 van de compound van Dutchbat in Srebrenica werden gestuurd en daarna werden vermoord. Dat heeft de advocaat van de nabestaanden, Liesbeth Zegveld, gisteren bevestigd.

Premier Rutte zei in september dat de regering zal handelen naar de uitspraak van de Hoge Raad. Die oordeelde toen dat de Nederlandse staat verantwoordelijk is voor de dood van de drie mannen. Dat vonnis maakte de weg vrij voor een schadevergoeding.

De drie waren door Nederlandse militairen weggestuurd van de compound, terwijl zij juist daar een veilig heenkomen hadden gezocht voor het Bosnisch-Servische leger. De zaak was aangespannen door de tolk van Dutchbat, Hasan Nuhanovic, die wel op de compound mocht blijven, en nabestaanden van de vermoorde elektricien Rizo Mustafic.

De kans dat nog andere nabestaanden een schadevergoeding zullen eisen is klein, zegt Zegveld. In totaal zijn 239 mensen destijds weggestuurd van de Nederlandse basis omdat ze geen VN-pas hadden. Maar behalve de tolk en de nabestaanden van de elektricien, die al sinds 2002 procederen, is niemand een zaak begonnen. Bovendien hebben deze nabestaanden een bijzondere, relatief sterke rechtspositie, zegt Zegveld, omdat de drie destijds werknemers van Dutchbat waren.

Over de hoogte van het eventuele schadebedrag zegt Zegveld niets vanwege de lopende onderhandelingen met de landsadvocaat. Maar de inzet is hoger dan in de zaak die Zegveld recent voerde namens de tien weduwen op Zuid-Sulawesi van wie de echtgenoten in 1947 zijn geëxecuteerd. Die hadden recht op elk 20.000 euro.

„De zaak-Srebrenica is een ander verhaal”, zegt Zegveld. Deze nabestaanden hebben veel langer geprocedeerd dan de weduwes in Zuid-Sulawesi en het aangedane leed is van een andere orde. „Sommigen hebben jarenlang in onzekerheid gezeten over het lot van familie, een enkeling is pas jaren later in een massagraf gevonden.”