Pianist Pressler laat horen dat Mozart geen opsmuk nodig heeft

‘Mozart is te makkelijk voor kinderen en te moeilijk voor volwassenen’, zei de beroemde Oostenrijkse pianist Artur Schnabel ooit. Hij bedoelde daarmee dat zijn stukken technisch niet perse heel ingewikkeld zijn, maar wel heel moeilijk om in de juiste stijl te laten klinken. Omdat er zo weinig noten zijn, kun je je nergens achter verschuilen. Het publiek hoort meteen je tekortkomingen. Bij Mozart sta je helemaal naakt.

De grote valkuil bij de pianoconcerten is dan ook om overal lippenstift op te smeren, om met allerlei trucjes, maniertjes en clichés te laten zien dat je toch heel muzikaal bent. Terwijl Mozart helemaal geen opsmuk nodig heeft. Hij klinkt het mooist als je de noten als een opera vrij laat zingen. Niet gekunsteld, maar heel direct, eerlijk en natuurlijk.

Dat is ook precies wat de Duits-Amerikaanse pianist Pressler dit weekend in het Concertgebouw deed. Hij speelde heel ingetogen, zonder al teveel fratsen. Vooral het langzame, tweede deel klonk daardoor betoverend.

Als negentigjarige heeft de pianist natuurlijk niet meer zulke soepele vingers en zo’n kracht als vroeger. Hij had het daardoor soms wat moeilijk met de vlugge passages en het maken van mooie, volle tonen.

Tegelijkertijd merkte je aan alles dat hij een enorme bagage heeft. Presslers ervaring als kamermuzikant hoorde je bijvoorbeeld terug in zijn bescheiden opstelling. Hij probeerde niet als een solist hoog boven het orkest uit te komen, maar echt samen te spelen met de andere muzikanten. Vooral met de blazerspartijen was er een hele goede klik.

In de klassiek muziek hoor je dat steeds meer orkesten zich gaan specialiseren in een bepaalde muziekperiode, maar wat mij betreft mag een orkest als het Koninklijk Concertgebouworkest zeker alle muziekperiodes spelen. De muzikanten klonken vers en vol leven en dat vind ik het mooist. Alsof de muziek gisteren nog gecomponeerd was.